Voetbal

Ode aan de stilist: Juninho Pernambucano

Deel dit via
Kopiëren
Deel dit artikel

Juninho Pernambucano

Foto: Getty Images

DoorSam Planting
29/05/2020 om 09:43 | Bijgewerkt 29/05/2020 om 09:53
@Sam_Planting

In Ode aan de Stilist licht Eurosport wekelijks een voetbalheld uit het recente verleden uit. De enige voorwaarde: het moet een speler voor de absolute fijnproever zijn. Vandaag aandacht voor de G.O.A.T. onder de vrije trap-specialisten: Juninho Pernambucano.

Lionel Messi’s teller in LaLiga staat dit jaar op vier. In de even rijke als bewierookte Premier League waren er dit seizoen slechts twee spelers, Riyad Mahrez (Man City) en Harry Wilson (Bournemouth), die er meer dan eenmaal in slaagden. En in het (ingekorte) voorbije Eredivisie-seizoen bedroeg het gehele eindtotaal zestien. Het mag dan wel het makkelijkst voor de geest te halen soort goal zijn, een doelpunt uit een vrije trap komt gevoelsmatig vele malen vaker dan in werkelijkheid het geval is in het topvoetbal.

Juninho’s vrije trap van achteren

Foto: Getty Images

Voetbal

Ode aan de Stilist: Rui Costa

09/07/2020 OM 13:26

Ga na wat er allemaal perfect moet gaan om een vrije trap tot doelpunt te promoveren, en de zeldzaamheid van een ‘free kick’-goal wordt al duidelijker. De bal moet - in het merendeel van de gevallen - over de muur heen gaan, maar onder de lat blijven. De bal moet hard ingeschoten worden, maar niet zó hard dat het niet meer mogelijk is een curve aan de baan van het schot mee te geven. De timing en plaatsing van het schot moet op de centimeter nauwkeurig zijn: de keeper wéét immers dat je hoogstwaarschijnlijk de vrijgelaten hoek gaat opzoeken, en beschikt over het atletisch vermogen en de reactiesnelheid die hem tot profdoelman hebben gemaakt. Neem dan ook nog eens het statistische feit mee dat de vrije trapnemers met de meeste pogingen gemiddeld hooguit op één poging per wedstrijd uitkomen, en redelijkerwijs beland je op een- en dezelfde conclusie. Het is moeilijk, nagenoeg onmogelijk, om meermaals deze perfectie te bereiken in één seizoen. Messi’s 4 gescoorde vrije trappen in 22 competitieduels voelen als een komeetinslag: een specialisme dat eigenlijk te moeilijk is om een echt specialisme te zijn.

Met deze nuance en cijfers in gedachten kunnen we pas écht inschatten hoe briljant de beste vrije trap-nemer in de geschiedenis van het topvoetbal was. Want Juninho Pernambucano kwam in zijn illustere spelersloopbaan (1993-2013) tot 75 gescoorde vrije trappen. Vijfenzeventig. 75! Gedurende twintig profseizoenen schoot Juninho gemiddeld eens per acht wedstrijden een vrije trap binnen.

Juninho is de koning van een soort traptechniek die zo zeldzaam is dat we er nog altijd geen woord voor hebben bedacht in de Nederlandse taal. De Braziliaan beheerste de knuckle ball tot in perfectie. In onze taal komt het woord ‘dwarrelbal’ het dichtst in de buurt, maar ‘dwarrelen’ is een te negatieve omschrijving voor de schoonheid van Juninho’s vrije ballen. De in Recife geboren spelmaker was een rechtspoot. Bij een ‘normale’ vrije trappen-specialist verwacht je dus een scheepslading aan curve (of spin) op de bal die van rechts naar links draait, omdat de trapnemer immers met de rechterwreef een effect meegeeft aan de genomen bal, en een neerwaartse boog - aangezien de bal eerst over de muur moet, alvorens hij onder de lat moet belanden. Maar een vrije trap van Juninho nam een geheel eigenzinnig pad naar het doel. Een perfecte Juninho-freekick kent drie unieke elementen. (1) Een bal van Juninho is allereerst hard ingeschoten. Waar de rest van het spel van de Braziliaan op finesse en een superieure techniek leunde, zat er in de vrije trappen van Juninho altijd een enorme dosis power op het moment van raken. (2) Als zijn vrije bal eenmaal in de lucht is, valt er meteen nog iets afwijkends op: van een verticale boog in het schot is bij Juninho nauwelijks sprake; de bal stijgt gestaag aan hoogte - nèt hoog genoeg om over de muur heen te gaan, maar op geen enkel moment meer dan twintig centimeter boven het verlengde van de doellat - als een rondvormig zweefvliegtuig. (3) In de laatste meters richting doellijn doemt opeens het ‘knuckle’-element van zijn vrije trap op: pas dan begint de bal even subtiel als desoriënterend van links naar rechts, van boven naar onder, te zwabberen. Écht te zwabberen.

De initiële kracht van het schot, gevolgd door de afwijkende en zwevende hoogtebaan van de bal, afgesloten door de late zwabber: de perfecte cocktail om een keeper, hoe dominant die ook mag zijn, op het moment sûpreme volledig te doen twijfelen aan zijn split-second beslissing hoe hij op de vrije trap zou reageren. Kijk een willekeurige vrije trappen-compilatie van Juninho terug op YouTube, en na een paar minuten ontdek je een trend. De keeper zit vaker dan niet precies in de juiste hoek en op de juiste hoogte met zijn duik. Maar met één subtiel doch belangrijk probleempje: nèt een paar milliseconden te laat om de bal te pareren. Waar een doelman doorgaans anticipeert op een vrije trap, moet hij op Juninho’s even schone als vreemde plofballen reageren.

De knuckle ball van Juninho heeft, nu hij zo’n tien jaar niet meer in de Europese top uitkomt, gaandeweg alleen maar een mythischer status gekregen. Met Andrea Pirlo, Didier Drogba, Gareth Bale en (vooral) Cristiano Ronaldo als voorbeelden van topspelers die Juninho’s hyper-specifieke traptechniek hebben geprobeerd na te bootsen, valt des te meer op hoe complex zijn kunstvorm was. Hoe fijnbesnaard de techniek in de voet van de trapnemer ook is, hoe imposant ook de schotkracht, de juiste balans vinden bij een inzet die én niet in de derde ring van het stadion belandt, én niet zacht in de handen van de keeper ploft, én de onvoorspelbare zwabber behoud, én met precisie in de open hoek (of hoge bovenhoek) eindigt, is zelfs voor de grootste trap-specialisten in het huidige topvoetbal te moeilijk gebleken om op Juninho-esque wijze te repliceren.

Juninho in Braziliaans elftal

Foto: Getty Images

Het enige nadeel van zijn perfecte vrije trap ondervindt Juninho, inmiddels technisch directeur bij Olympique Lyon - de club waar hij tussen 2001 en 2009 zijn hoogtijdagen beleefde - nu hij een tijdje gestopt is. Want laat zijn naam vallen in een gesprek met een andere voetballiefhebber, en het zal ongetwijfeld gaan over zijn vrije trappen. Tot aan de laatste alinea van dit stuk is het uitsluitend over zijn vrije trappen gegaan. Hij was zó goed als specialist, dat we dikwijls vergeten dat hij ook ‘gewoon’ een topvoetballer was op momenten dat het spel niet stil lag. Juninho was als stijlvolle passer, intelligente vrijloper en hardwerkende teamspeler de belangrijkste kracht op het middenveld - ‘op 10’ of als hangende rechtsbuiten - van een oppermachtig Lyon, dat tussen 2001 en 2008 zeven landstitels op rij veroverde, en jaarlijks kon wedijveren met de absolute grootmachten van Europa in de Champions League.

En Juninho was geen ‘onontdekt pareltje’ toen hij op 26-jarige leeftijd in Frankrijk arriveerde. Als spelmaker bij Sport do Recife en Vasco da Gama won hij acht hoofdprijzen op Braziliaanse bodem. Voor het nationale team kwam hij, op een positie waar hij moest wedijveren om speelminuten met ‘s werelds beste creatievelingen, tot veertig interlands. Juninho was een uitblinker op momenten dat het spel vloeiend verliep. Maar hij was simpelweg ongeëvenaard als het spel eenmaal stil kwam te liggen.

Voetbal

Ode aan de Stilist: Yaya Touré

06/07/2020 OM 11:17
Voetbal

Ode aan de stilist: Robert Pires

24/06/2020 OM 12:14
Gerelateerde onderwerpen
Voetbal
Deel dit via
Kopiëren
Deel dit artikel