Luister dit artikel hier als podcast:
Kwikzilverig, onvoorspelbaar, moedig, idealistisch, bijgelovig, hypochondrisch, gedoemd, maniakaal, gedreven door rauwe emotie, slecht bestand tegen slecht weer – Jesús Luis Ocaña was het allemaal en nog veel meer. Ocaña kun je zien als de enige coureur die de schier onaantastbare Eddy Merckx in zijn gloriejaren aankon, wat de Spanjaard bewees vlak vóór hij zijn eigen vleugels onklaar maakte en ter aarde stortte.
Wielrennen
Laporte wint Binche-Chimay-Binche
14 UUR GELEDEN

MERCKX' BELANGRIJKSTE UITDAGER

Vóór die wrede historische Tour van 1971, had Ocaña op jonge leeftijd de Vuelta van 1970 gewonnen. Daarmee had hij zijn positie verstevigd van Spanjes meest veelbelovend talent, iemand die eindelijk Merckx kon uitdagen en de wielersport mogelijk kon bevrijden uit diens ijzeren wurggreep.
Een wispelturige klasbak met een wisselvallig temperament, vaak betrokken bij ongelukken en snel nerveus, zo kunnen we Ocaña wel omschrijven. Hij was in allerlei opzichten de tegenpool van Eddy Merckx, maar toch weigerde hij als één van de weinigen de superioriteit van de Belg te erkennen. Helaas, de geschiedenis veroordeelde Ocaña tot een leven in de schaduw van Merckx. Hun rivaliteit definieerde zijn gehele carrière en Ocaña heeft alleen kunnen zegevieren in een Grote Ronde als de Kannibaal niet deelnam.

Luis Ocana en Eddy Merckx op een ontspannen moment.

Foto: Eurosport

In goeden doen – wat niet altijd het geval was - was hij een stijlvolle renner; een superieure tijdrijder als hij zijn dag had. Hij had meer talent dan de beste coureur die Spanje tot dan had voortgebracht, Federico Bahamontes.
Deze Bahamontes wordt alom erkend als de grootste klimmer ooit in de wielersport. Hij was gezegend met een groter talent dan wie dan ook op dat gebied. Maar in een Grote Ronde was een goede Ocaña beter dan Bahamontes, omdat hij, in de woorden van Eddy Merckx, een allrounder pur sang was. Hij kon belangrijke middellange etappekoersen winnen, iets dat voor Bahamontes veel moeilijker was. Afdalen en tijdrijden kon hij ook een stuk beter.
Geboren in armoede drie maanden vóór het eind van de Eerste Wereldoorlog, groeide Ocaña op in een afgelegen dorp 150 km oostelijk van Madrid. Zijn vader heeft hard moeten sappelen in een textielfabriek om de kost te verdienen totdat hij werk vond in een zinkmijn in de Pyreneeën. Hier moest de jonge Luis elke dag 6 kilometer naar school lopen.
Op een dag kreeg hij een lift achterop een vrachtwagen en keek zijn ogen uit op een wielrenner die kon volgen. Dat was het begin van een langdurige liefdesaffaire met de fiets.

VERHUIZING NAAR FRANKRIJK

Rond zijn tiende werd de familie door een oom uitgenodigd om de grens over te steken. Daar kon Luis senior aan de slag als boswerker bij zijn zwager. Luis junior kwam helemaal tot bloei in deze nieuwe omgeving, het wijngebied Armagnac even ten zuiden van Bordeaux. Vaak leende hij de fiets van zijn nichtje om rond te crossen tussen de wijngaarden.
Nadat hij genoeg had gespaard als druivenplukker en muilezeldrijver in houttransport, kocht Ocaña zijn eigen racefiets. Dat moment zou hij later beschrijven als “een van de meest emotionele van mijn leven”.
Hun allereerste gezinsuitje voerde de Ocañas terug naar Spanje, naar Madrid. Luis was toen 14. Daar bezochten ze een wielerevenement in de overdekte wielerbaan. Bahamontes, de Adelaar van Toledo was er – hij had net de Tour gewonnen - en ook andere beroemdheden als Fausto Coppi, Jacques Anquetil en Louison Bobet waren aanwezig.
Hoewel de steile wand van de wielerbaan hem de kriebels gaven, en zijn ouders vonden dat wielrennen er wel erg riskant uitzag, wist hij nu wat hij wilde worden. Er moest echter ook kost verdiend worden en dus ging hij nadat hij op zijn 15e van school was gegaan, eerst aan de slag leerling-timmerman. Hij trainde in zijn vrije tijd, tot hij oud genoeg was om aan amateurwedstrijden mee te doen.
Toen hij 18 was, kreeg hij een contract bij een wielervereniging in het nabijgelegen Mont-de-Marsan (Les Landes), waar hij fietsen en timmeren combineerde. In zijn eerste jaar toonde hij belofte met een vijfde plek in een klimtijdrit op de Mont Faron, bij Toulon, vlak achter Tour-sterren als Raymond Poulidor en Roger Pingeon. Later datzelfde jaar won hij een koers en kreeg de bloemen van een blond meisje, dat anderhalf jaar later zijn vrouw werd.
Op zijn 21e moest hij kiezen tussen de fiets en de hamer. De hemel zij dank, koos hij voor het eerste. Hij tekende hij bij het Spaanse Fagor en werd prompt nationaal kampioen. Weldra sloeg echter het noodlot toe. Zijn vader stierf onverwachts aan prostaatkanker net op het moment dat zijn schoondochter beviel van zijn eerste kleinkind, een jongetje. De jonge wielerprof moest nu zijn moeder, zijn vier broers en zusters en zijn eigen prille gezin onderhouden.
Tegenslag en brute pech maakten deel uit van het leven van Ocaña zoals de Loire deel uitmaakt van Frankrijk. Zijn altijd ietwat bittere lachje leek te suggereren dat er, ook op vrolijke momenten, een tragische onderstroom in zijn leven aanwezig was.

NET NIET

Ocaña had overwinningen nodig om bekend te worden en zijn familie te onderhouden. Hij streed al snel tegen profs waar hij als amateur hoog tegen had opgekeken. In zijn eerste Grote Ronde sleepte hij totaal onverwacht bijna de overwinning binnen. Hij maakte onmiddellijk indruk door de proloog te winnen in Badajoz en de eerste gele trui veroveren.
Twee weken later vóór de koninginne-etappe zat hij nog steeds in kansrijke positie voor de eindzege. Die koude natte etappe 12 naar het Catalaanse Moiá behelsde vijf cols. De 23-jarige Ocaña reet het peloton aan flarden tot er nog slechts één renner in zijn wiel zat. Dat was Roger Pingeon, twee jaar eerder winnaar van de Ronde van Frankrijk. Pingeon had 39’’ op de Spanjaard in het klassement. Pingeon weigerde elk kopwerk en dwong daarmee Ocaña alles alleen op te knappen.
Op de slotklim, nog slechts 15 kilometer verwijderd van de finish, knapte Ocaña en de Fransman reed bij hem weg. Opgeveegd, en vervolgens weer uitgespuwd door een achtervolgende groep, verloor Ocaña 4 minuten op Pingeon, die het geel greep.
Later erkende Ocaña dat hij tactisch heel naïef had gekoerst en dat hij al te eerlijk was geweest tegenover zijn medevluchter door te zeggen dat hij niet in goeden doen was. “En Pingeon besefte meteen, dat dit het moment was om aan te vallen”.
Ondanks winst in de twee resterende tijdritten, kon Ocaña de verloren tijd niet goedmaken en eindigde hij als tweede op 1’54’’ van de leider in zijn eerste Grote Ronde. Toch vond Luis Puig, voorzitter van de Spaanse nationale wielerbond dat het glas halfvol was: “we hebben de Vuelta verloren, maar een kampioen gevonden.”

STRIJDER

Later werd duidelijk dat wat Ocaña had gedreven tot zijn roekeloze aanvallen die dag naar Moiá niet zozeer honger naar winst was, maar dat hij dat eerder deed om een punt te maken. Hij had de avond ervoor ruzie gemaakt met zijn ploeggenoten en beweerd dat ze niet hun best deden. Door vervolgens iedereen in hun hemd te zetten door zo tekeer te gaan op zijn fiets liet hij zien uit welk hout hij gesneden was, ook al liep dat uit op een onnodige nederlaag.
Zijn vrouw Josiane getuigde: “het grootste probleem van Luis was uiteindelijk dat hij niet koerste om te winnen, maar omdat hij hield van strijd. Luisteren kon hij niet, hij deed gewoon wat hij wilde en naderhand zou wel blijken wat het resultaat was. Hij zei vaak dat hij niet koerste voor een palmares. Had hij dat maar wel gedaan, had hij eerst maar eens nagedacht, dan zou hij veel meer ritten op zijn naam hebben geschreven.”
Zes weken na deze tweede plaats in Spanje, debuteerde Ocaña in de Tour, maar moest per helikopter naar een ziekenhuis worden afgevoerd na een gemene valpartij in etappe 8, twee dagen na een eerdere tuimeling. Het jaar erna had hij een contract bij het France BIC en daar moest hij concurreren om het kopmanschap met de doorgewinterde Nederlander Jan Janssen, winnaar van zowel de Tour als de Vuelta.

Luis Ocana en Eddy Merckx in de Tour de FRance van 1969.

Foto: Getty Images

In Parijs-Nice dat voorjaar had Janssen een etappe gewonnen, maar Ocaña was als tweede in het algemeen klassement geëindigd, best-of-the-rest achter een onverslaanbare Merckx. De eerste tekenen van rivaliteit werden zichtbaar. En toen de Nederlander voor de voorjaarsklassiekers ging, werd Ocaña naar Spanje gestuurd voor een tweede poging in de Vuelta.

VUELTA 1970

De 25ste Vuelta was er niet één om je vingers bij af te likken. Het meest interessante eraan was dat hierin Ocaña’s doorbraak bevestigd werd als potentiële Grote Ronde winnaar.
Een flink aantal factoren maakten het Ocaña een stuk gemakkelijker. Eddy Merckx, titelverdediger Roger Pingeon, en veel andere grote namen lieten verstek gaan. Dit betekende dat de Spanjaard de grote favoriet was, ook al was het pas zijn derde Grote Ronde.
Die conclusie lag eigenlijk zeer voor de hand. Bij BIC werd Ocaña gezien als spil in een veel sterker team dan Fagor en in zijn ploegbaas Maurice de Muer trof hij een uitgekookte, misschien iets te fanatieke, tacticus en een vaderlijke steunpilaar.
In die dagen werd de Vuelta verreden rond 1 mei en was het nog lang niet het bergmonster van vandaag de dag. Pas in 1972 kon de eerste aankomst bergop genoteerd worden. Dus een voornamelijk vlak, om niet te zeggen saai routeschema speelde in zijn voordeel.
De dreiging van een nieuw anti-doping beleid hing boven het peloton als een zwaard van Damocles. Drie ploegen zagen de bui hangen en trokken zich vlak voor de start terug.
Onder de overgebleven 100 renners konden alleen Agustín Tamames van de ploeg Werner en de onlangs overleden Belg Herman van Springel, runner-up na Janssen in de Tour van 1968, aangemerkt worden als serieuze belagers.
De ronde begon en eindigde met een tijdrit van respectievelijk 6 en 29 km. In totaal waren er slechts 5 cols van eerste categorie opgenomen. De enige nieuwigheid was het ‘geheime sprint’ klassement. Op onaangekondigde plekken kon gesprint worden. Dat stond dan aangegeven op een spandoek 500 meter vóór de streep.
Ocaña won de proloog, maar dat had hij puur te danken aan een val van specialist René Pijnen 20 meter vóór de meet. De vliegende Hollander moest zijn fiets over de streep dragen en verloor toch slechts 0,4 seconde.
De volgende dag nam Pijnen de leiding over van Ocaña, hoewel de zege aanvankelijk was toegekend aan de Spanjaard dankzij een fout in de tijdwaarneming.

INCIDENTEN

Julián Cuevas won de tweede etappe, maar bij het passeren van de meet toonde hij geen brede lach. Kort daarvoor was de jonge renner namelijk een paar tanden verloren bij een crash. Na de vierde etappe vond er een opmerkelijk incident plaats. De renner José Maria Errandonea wilde de jonge fans onder zijn hotelraam opvrolijken door een hand snoepjes naar ze toe te gooien, maar in het gewoel raakte een auto beschadigd en rond middernacht werd de verantwoordelijke coureur ter ondervraging op het politiebureau ontboden. Met een overwinning in de 18e etappe zou de Spanjaard de nare bijsmaak van zijn goede daad enigszins wegspoelen.
Op dezelfde dag dat Errandonea in de problemen kwam met justitie, meldde het BIC team dat er spullen gestolen waren uit hun hotel in Lorca. Dankzij een lokale profrenner, die contacten had in wat kennelijk een hechte gemeenschap was, werden de ontvreemde wielen en tubes terugbezorgd bij de ploeg van Ocaña.
Pijnen droeg het geel negen dagen voor hij het weer moest afstaan aan Ocaña na de negende etappe, een licht golvend rit tussen Barcelona en Igualada met daarin drie klimmen. Tamames won de etappe, maar Ocaña raapte 10 seconden bonus op de klim naar Monserrat en stond daarmee op één.
Het gejuich binnen de Werner-ploeg van Tamames verstomde evenwel, zodra bleek dat hun tassen met kleren en andere spullen gestolen waren. Deze keer was er geen collega die optrad als tussenpersoon en de ontvreemde materialen bleven spoorloos.

JOHNY SCHLECK

Het meest opzienbarende huzarenstukje tijdens deze tweede gele periode van Ocaña kwam van de Luxemburger Johny Schleck. Die reed praktisch de hele twaalfde etappe naar Madrid, 204 km, vooruit op het peloton. Hij arriveerde solo, ruim een uur voor op het tijdschema. De officiële missen waren nog in geen velden of wegen te bespeuren, dus de organisatie nodigde drie bevallige dames uit het publiek op de honneurs waar te nemen.
Tien jaar na zijn enige Grote Ronde-zege beviel de vrouw van Johny Schleck van een tweede zoon, die de naam Fränk kreeg. Andy zou vijf jaar later het levenslicht zien. De prestaties van vader Johny zouden verbleken bij die van zijn zonen. Fränk won net als zijn vader een etappe in de Vuelta, Andy zou de Tour van 2010 winnen. Een jaar later stonden beide broers op het podium in Parijs. De hoogste trede was voor de Australiër Cadel Evans.
Toch maar weer terug naar de Vuelta van 1970. Na etappe 13 raakte Ocaña de leiderstrui kwijt aan Tamames, die 10 seconden bonus had opgeraapt in de beklimming van de Somosierra. De twee stonden nu op één schamele seconde van elkaar in het klassement. Na een waslijst van negatieve dopingcontroles kon Ocaña het niet laten tegen verslaggevers te zeggen: “Niet het hele peloton rijdt alleen op water”.
Wat dat ook maar mag betekenen. Tamames droeg het geel de gehele laatste week van de wedstrijd. Hij wist dat hij zijn voorsprong diende te vergroten om enige kans te maken in de slottijdrit in Bilbao.

OCANA'S TIJDRIT MAAKT HET VERSCHIL

Die kans had hij in etappe 17, een hele lastige van 191 km van Santander naar Vitoria. Tamames verprutste die kans toen hij zijn belager liet ontsnappen. Hoewel hij Ocaña op het nippertje wist bij te halen, was nu duidelijke dat de tijdrit inderdaad de beslissing zou moeten brengen.
De slotdag van de wedstrijd bestond uit een ochtendetappe in lijn, 's middags gevolgd door een tijdrit van 29 km. Het verschil tussen de nummers 1 en 2 was slechts zeven seconden. De hele top tien zat zelfs op een zakdoek, allen op minder dan 1 minuut van leider Tamames. Dat zag er niet zo best uit voor de man van Salamanca.
Hij had eerder al laten weten dat hij minstens 2 minuten voorsprong nodig had voor de eindzege. Ocaña won de rit, zijn vijfde tijdritzege in de Vuelta bij zes starts. Rivaal Tamames arriveerde als vierde op 1’25’’, beter dan verwacht, maar ruim onvoldoende voor behoud van de leiderstrui. Het eindpodium werd gecompleteerd door Van Springel.
Deze Vuelta werd uitgereden door 59 renners. De rode lantaarn stond op slechts 2 uur van winnaar Ocaña. Dit bewijst dat de Ronde van Spanje in die jaren betrekkelijk makkelijk was. Vergelijk dat maar eens met de barbaarse eisen die de renners de laatste jaren worden opgelegd.
Voor een impulsieve renner die zo vaak bezweek onder de verwachtingen, vertoonde Ocaña altijd een bijna griezelig vermogen zich te focussen op een tijdrit. Had dat misschien te maken met het solo rijden tegen de klok zonder rekening te hoeven houden met iemand anders? Voor Ocaña gold: de hel, dat was samen met anderen.
Hij had de overwinning misschien te danken had aan zijn talent als tijdrijder, maar hij verdient ook zeker lof voor de manier waarop hij gewerkt had aan de zwakke punten, die hem in de Vuelta van 1969 de zege hadden gekost, toen hij bergop zo spectaculair ineenstortte.
Iedereen geloofde dat Ocaña vooral een klimtalent had, maar misschien was hij wel allereerst een fenomenale tijdrijder, die ook in de bergen met de besten meekon. Toen Pingeon in 1969 Ocaña - ondanks diens dominantie in de tijdritten - versloeg in de bergen, zag Ocaña in dat hij zijn klimvermogen moest verbeteren om het voordeel van een betere tijdrit vast te kunnen houden. Dat lukte hem in 1970.

PECH, PECH, PECH

Een week na de Vuelta stond Ocaña aan de start van de Dauphiné. Merckx ontbrak. De Spanjaard versloeg hier Pingeon en Van Springel en was dus één van de favorieten in de Ronde van Frankrijk toen die een maand later vertrok uit Limoges, nu wél met de Kannibaal - die net zijn tweede Girozege op zak had - en de Fransman Bernard Thévenet.
Maar, had Ocaña zich niet opgebrand met al die voorjaarskoersen? Een broze gezondheid, een verdeeld team en een ploegleider, De Muer, die de neiging had ieders kracht te overschatten, ook die van zijn topcoureur, allemaal factoren die aangaven dat er barstjes zaten in fort Ocaña.
En inderdaad, de Tour van 1970 was een ramp voor Ocaña. Geplaagd door bronchitis en aambeien, verloor hij 12 minuten in een overgangsetappe en was daarmee uitgeschakeld voor de winst.

Luis Ocana samen met zijn rivaal Eddy Merckx en Raymond Poulidor op weg naar de Mont Ventoux.

Foto: Getty Images

In etappe 13 naar Gap stond hij op het punt op te geven. Hij zat in de bus op de Col du Noyer. Daar kreeg hij gezelschap van zijn ploeggenoot Charly Grosskost. Met diens hulp kwam de Spanjaard weer in zijn ritme en herstelde. Eenmaal boven zei de Fransman dat hij niet verder kon; Ocaña toonde zijn klasse, stopte, dankte hem voor zijn hulp met een flinke knuffel, en ging verder. Hij verloor 20 minuten.
Die avond zei Grosskost: “Ik heb nooit geweten dat een renner zo intens kan afzien. Alles opofferen voor zo iemand is zo de moeite waard.”
De volgende dag zwoegde Ocaña de Ventoux op. Hij kreeg het voor elkaar de winst te pakken in een vlakke etappe 17 en legde beslag op een tweede plaats in de afsluitende tijdrit naar Parijs na een onstuitbare Merckx. De Belg huppelde naar de zege met zeven etappeoverwinningen. Alleen debutant Joop Zoetemelk slaagde erin binnen 15 minuten van de Kannibaal te blijven in het eindklassement.
Met meer dan een uur op Merckx eindigde Ocaña als 31ste. Dit was niet het resultaat dat de BIC ploeg voor ogen had gestaan, maar Ocaña had in ieder geval karakter laten zien. De Spanjaard, gelet op zijn recuperatie na zo’n instorting, had bewezen dat hij het in zich had ooit de Tour de France te winnen.

NU MOET HET GEBEUREN

Alles was gericht op 1971, het jaar dat Ocaña Eddy Merckx zou kunnen, misschien zou moeten, verslaan. Ocaña had voldoende gedaan om BIC ervan te overtuigen dat de ploeg helemaal om hem alleen gebouwd zou moeten worden. Dit leidde vanzelfsprekend tot het vertrek van Jan Janssen.
Maar vóór de Tour moest er eerst nog een Vuelta gereden worden. Met nauwelijks 10 km tijdrijden en aanhoudend nat weer, moest de titelverdediger genoegen nemen met een derde plaats na de Belgen Ferdinand Bracke en Wilfried David.
Toen volgde de Dauphiné, de eerste directe confrontatie tussen dé kemphanen van het jaar. In deze generale repetitie voor de Tour zegevierde de Belg met 54’’ op de Spanjaard.
De Tour de France van 1971 ging van start in Mulhouse. Het Molteni team van Merckx won de proloog en de kopman kreeg de eerste gele trui. Ocaña sloeg terug in etappe 8 met een eclatante zege op de Puy de Dôme. Hij steeg naar plek 3 in het algemeen klassement achter Merckx en Zoetemelk. De Alpen doemden dreigend op aan de horizon. De Spanjaard was er klaar voor. Hier zou hij zijn rivaal een poepje laten ruiken.
In etappe 11 naar Orcières-Merlette deelde Ocaña de grootste opdoffer uit aan Merckx die de Kannibaal ooit geïncasseerd had. Na een adembenemende solo van 120 km door de Alpen, kwam hij alleen aan in Orcières. Hij bezorgde zijn belager een pakslaag van niet minder dan 8’42’’, en pakte zijn eerste leiderstrui in de Ronde van Frankrijk.
Tegenover journalisten erkende Merckx na zijn slopende achtervolging op Ocaña van drie uur dat hij op breken had gestaan. “Als je me onderweg had gevraagd of ik niet liever zou afstappen, had ik gezegd dat ik dat inderdaad overwoog. Ik zat kapot. Wat Luis vandaag heeft gedaan is uitzonderlijk. Hij was iedereen duidelijk de baas.”

OCANA WORDT VERRAST

Merckx nam revanche op zijn Merckxs. Na de rustdag volgde etappe 12, een vlakke overgangsetappe naar Marseille. Bij de start vertrouwde Ocaña een reporter toe dat hij deze etappe zag “als een formaliteit”. Merckx zette zijn knecht Rini Wagtmans direct na de start op kop. Hij forceerde een ontsnapping van 12 renners, waaronder hijzelf. De kopgroep haalde het tot de eindstreep en arriveerde een uur vóór op het snelste tijdschema. Het peloton, met Ocaña, kwam binnen op bijna 2 minuten. Merckx klom naar de tweede plaats in het klassement, maar stond nog steeds op ruim 7 minuten van Ocaña. In de Pyreneeën kwam het noodlot de Belg echter te hulp.
In etappe 14 naar Luchon, plaatste Merckx een aantal versnellingen op de Col de Menté om zijn rivaal in de touwen te krijgen. En toen de hemelsluizen zich openden in de afdaling, dwong hij zichzelf en zijn concurrenten tot het uiterste.
In de chaos van de plensbuien, slipte Merckx over de hagelsteentjes in de haarspeldbochten. Hij raakte een stenen muurtje en kwam ten val. Hij klom meteen weer in het zadel, maar twee toeschouwers moesten zijn val ontwijken, stapten op de weg en brachten op die manier de jagende Ocaña ten val. De geletruidrager lag op zijn zij, zijn schoenen nog in de pedalen. Renners scheurden voorbij. Hij hees zich overeind ondanks pijn in schouder en knieën en werd op dat moment getorpedeerd door Joop Zoetemelk die zijn fiets niet meer in bedwang had.
Nog twee renners voegden zich in de kluwen en Ocaña, half-bewusteloos en kermend van de pijn, bleef liggen op het asfalt, zijn gele trui en zijn droom aan flarden. Per ambulance werd hij naar het dal vervoerd en vandaar per helikopter naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. De tweede keer dat dit hem overkwam.
Als eerbewijs voor zijn gevallen rivaal, weigerde Merckx de volgende dag de gele trui te dragen, hoewel hij een achterstand van 7 minuten had omgezet in een voorsprong van 2 minuten. “Liever eindig ik de Tour als tweede na elke dag strijd dan de leiding overnemen op deze manier”, zei hij.
Ocaña sloeg de Vuelta van 1972 over om al zijn geld in te zetten op de Tour. Hij versloeg Thévenet met meer dan 3 minuten in de Dauphiné en presenteerde zich in de Tour eens te meer als de grote man die Merckx te kloppen had.
Hoewel hij fysiek prima in orde was, werd Ocaña meer dan ooit door zijn valduivel geplaagd. Merckx had geen moeite met hem en de geplaagde Spanjaard gaf op na etappe 14, toen hij op de derde plaats stond op bijna 7 minuten. Uit onderzoek bleek dat hij een longontsteking had opgelopen na een tuimeling in de openingsweek.

TOUR VAN 1973

Het is omdat Merckx ontbrak op de startlijst in 1973 dat Ocaña erin slaagde Spanjes tweede Tourwinnaar te worden na Bahamontes. Hij deed dat met allure door zes etappes te winnen en de nummer twee Thévenet op bijna 16 minuten te zetten in de einduitslag.
Hoe hij toen ook schitterde, iedereen was het erover eens dat, had Merckx er geweest, Ocaña bezweken zou zijn onder de druk. Per slot van rekening, wie won in Spanje toen de Kannibaal besloot één keer mee te doen in de Vuelta? Juist. En wie werd tweede? Ook juist.
Een blessure hield hem buiten de Tour van 1974, toen Merckx naar zijn vijfde winst dartelde. En toen Thévenet in 1975 op fameuze wijze een einde maakte aan de heerschappij van de Belg op de klim naar Pra Loup, was Ocaña in geen velden of wegen te bekennen. Hij had zich terug moeten trekken een paar dagen vóór de start na de zoveelste valpartij. Hij heeft de Tour nog twee maal gereden – en uitgereden - , maar heeft nooit meer zijn topniveau gehaald.
Wat betreft de Vuelta, Ocaña eindigde als tweede na Merckx in 1973. De twee jaar erna finishte hij als vierde. Bij die tweede gelegenheid, in 1975, koerste hij in steun van Agostín Tamames, die nu zijn ploegmaat was in het team Super-Ser. Vijf jaar nadat hij geklopt was door Ocaña in de slottijdrit, boekte Tamames zijn enige Vuelta-zege door de afsluitende tijdrit te winnen en een achterstand van 1’17’’ om te zetten in een winnende marge van 14’’ op zijn landgenoot Domingo Perurena.
Dood en begraven was Ocaña nog niet. Hij kwam een jaar later terug in de Vuelta en kwam heel dicht bij de winst, maar moest voor de derde maal genoegen nemen met zilver, deze keer na José Pesarrodona. Toen hij in 1970 op zijn 24ste zo overtuigend won, wie had toen durven zeggen dat dat zijn laatste zege zou zijn?

SPAANS NOCH FRANS

Ocaña heeft opgemerkt dat de Tour winnen makkelijker was dan de Vuelta. De reden? “In Spanje leek iedereen te verwachten dat ik elke etappe moest winnen”. Omdat hij woonde in Frankrijk en getrouwd was met een Française, had hij een haat-liefde verhouding met zijn Spaanse fans die hem bij verlies zagen als een Fransman – vooral in zijn jaren bij BIC -, en alleen bij succes als Spanjaard.
Met slechts één etappezege in de ronde van zijn land na die serie in 1970, hoe is het mogelijk dat de beste Spaanse renner zo gefaald heeft bij zijn deelnames na dat jaar?
Om maar één ding te noemen, de Ronde werd bergachtiger. Merckx’ deelname in 1973 was ook een reden. Ocaña worstelde altijd en eeuwig met crashes en andere pech, en zijn gezondheid was ook niet wat je noemt robuust.
Maar bovenal zat zijn zelf-vernietigende karakter hem dwars. Hij was een man van uitersten, een buitengewoon impulsief mens. Vaak instrueerde Ocaña zijn ploegmaats in detail over hoe de koers diende te verlopen, en vervolgens vergat hij alles en spoot hij er vandoor in een eenzame ontsnapping, of gaf hij op, omdat hij met zijn verkeerde been uit bed was gestapt.
Hij was zijn eigen ergste tegenstander. In het licht van wat hem allemaal tegenzat - soms door zijn eigen schuld, andere keer niet -, is het eigenlijk een mirakel hoeveel hij heeft gepresteerd.

TORERO

Ocaña deed zelden dingen half. Tweevoudig Tourwinnaar Thévenet zei het als volgt: “Als Luis een koers wilde winnen, moest dat met een uur voorsprong. Wat hij ook deed, het moest met zwier. Hij was de spreekwoordelijke torero. Hij was pas gelukkig als de stier helemaal dood was.”
Hij was een coureur die opbloeide als hij de underdog was. Soms barstte hij van het zelfvertrouwen grenzend aan arrogantie. Dat kwam hem van pas als - zoals in de Vuelta van 1970 - alles voor hem op zijn plaats viel en hij geen tegenslag had. Maar zodra een serieus obstakel zijn pad kruiste, verschrompelde hij. Zoals Joop Zoetemelk opmerkte: “Hij hing óf aan de staart van het peloton als hij chagrijnig was, óf hij zat op kop, klaar voor de aanval als hij zich geweldig voelde.
Ocaña ging met pensioen in 1977, toen hij 32 was na een positieve dopingtest in de Tour. Hij opende een cognac distilleerderij in zuidwest Frankrijk. De legende wil dat zijn oude vijand Eddy Merckx hem hielp aan afnemers in België.
Hij was eigenlijk noch in Spanje noch in Frankrijk geaccepteerd, hij bleef een raadselachtige outsider die bezweek onder het succes van zijn gloriejaren. Financiële zorgen en ziekten als levercirrose, hepatitis C en kanker brachten Luis Ocaña tot een wanhoopsdaad. In 1994 schoot hij zich een kogel door het hoofd. Hij was 48.
Kroonieken is een podcast van Eurosport– geschreven door Felix Lowe en verteld door Karsten Kroon. Eindredactie is van Sander Grasman en productie door Fabian Kollau. Meer stukjes wielerhistorie van Felix zijn te vinden op Twitter via @SaddleBlaze. Als je Karsten wilt volgen kan dat via @karstenkroon op Twitter. Eurosport volg je via @Eurosport_NL. Bovendien vind je ons op Instagram en Facebook.
Wielrennen
Binche-Chimay-Binche | Laporte bekroont topjaar met indrukwekkende overwinning
14 UUR GELEDEN
Wielrennen
Binche-Chimay-Binche | Lorena Wiebes oppermachtig in Belgische eendagskoers
16 UUR GELEDEN