Luister Kroonieken ook als podcast:https://embed.acast.com/606f5d90a830c427f18c3d96/606f5d97a830c427f18c3d98
Apple: https://apple.co/2PCeZEn
Kun je deze uitgave van Parijs-Roubaix beschouwen als een vintage ‘Hel van het Noorden? Niet echt.
GP du Morbihan
GP Morbihan | Marit sprint op fraaie wijze naar eerste profzege in zijn loopbaan
19 UUR GELEDEN
Tegen een achtergrond van herstel en vernieuwing na de puinhopen van de eerste wereldoorlog behaalden Henri en Francis Pélissier een fameuze één-twee in Roubaix. Dit ondanks dat er een prijs op hun hoofd was gezet omdat ze wilden breken met La Sportive, het verstikkende consortium dat toen het hele Franse wielrennen regelde.
Die twee rebelse broers op dat podium zou later de ijsberg blijken te zijn die de Titanic van La Sportive tot zinken zou brengen.
Het wielrennen kent vele fietsende vaders en zonen en fietsende broers. Simon en Adam Yates zijn het jongste voorbeeld. De winnaar van de eerste Tour en van Parijs-Roubaix in 1897 en 1898, Maurice Garin, had twee broers, die allebei, maar dan iets later, tweede zijn geworden in die klassieker. De eerste Vuelta triomfator, de Belg Gustaaf Deloor, kwam het jaar erop terug en won weer. Zijn broer Alfons eindigde dat jaar als tweede.
Ook de broers Emilio en Manuel Rodriguez werden eerste en tweede, ook in de Vuelta. Vijf jaar eerder had hun oudste broer Delio gezegevierd in de eerste Ronde van Spanje na de oorlog. Een vierde broer, Pastor, finishte toen als 15de.
Wat meer recent, eindigden Fränk en Andy Schleck, de broertjes uit Luxemburg, achter Cadel Evans op het Tourpodium van 2011. Zes paar broers sieren de huidige World Tour: Jon en Gorka Izagirre, Nairo en Dayer Quintana, Vincenzo en Antonio Nibali, Oliver en Lawrence Naesen en Esteban en Brayan Chaves.
Miguel Indurain had mogelijk nooit vijf Tourzeges geboekt zonder de kalmerende aanwezigheid van zijn jongere broer Prudencio; de grote Fausto Coppi was niet meer dan een schaduw van zijn normale campionissimo zelf na de dood van zijn broertje Serse, in 1949 winnaar van Parijs-Roubaix; en zonder Juraj zou Peter Sagan geen drie regenboogtruien achter elkaar hebben gewonnen.
Maar, zoals gezegd, twee broers één en twee in één van de vijf wielermonumenten is een unicum dat zich nu al 99 jaar staande houdt. Hun podium, tussen haakjes, stond niet in het velodroom – want dat bestond nog niet – maar in een voetbalstadion. Er moest voor de gelegenheid een voetbalwedstrijd worden stilgelegd.
Er waren vier broers Pélissier: de oudste Henri, en verder Francis, Jean-François en Charles. Jean-François sneuvelde in de oorlog ‘14 –’18, maar de drie andere werden beroemde wielercoureurs. Charles’ hoogtijdagen als sprinter lagen kort na die van zijn rebellerende broers.
Hun vader kon zo zijn weggelopen uit een roman van De Balzac, een veeboer uit de Auvergne die zijn geluk zocht in het grote Parijs. Daar bouwde hij een zuivelimperium op. Hij begon op klompen en eindigde als miljonair. Hij had geen enkele waardering voor de keuze van zijn zoon om te gaan fietsen in plaats van melk bezorgen. Hij zag de fiets als het werk van de duivel.
Henri van 16 vertrok om zijn droom te volgen. Hij was een taaie rakker, die van doorpakken wist. Zijn vroege successen zonder de dagelijkse sleur van de zuivelfabriek inspireerden Francis, die de melkwagen al vroeg inruilde voor de racefiets.
Naar verluidt trainden en aten de broers anders dan hun tijdgenoten; aan hun taktiek kan het niet gelegen hebben. Vóór een wedstrijd aten ze zich te barsten en de alcohol onderweg lieten ze staan.
Twistziek, kortaangebonden en voorzien van een scheiding onberispelijk in het midden, leek Henri nog het meest op een vakbondsman. Als eerste coureur rebelleerde hij tegen de macht van wedstrijdorganisatoren en fietsfabrikanten. Hij leefde in onmin met iedereen in het wielrennen, met inbegrip van zijn medecoureurs, die hij ooit ‘boerenknollen’ noemde, naast het ‘raspaard’ dat hij was.
“In bepaalde opzichten was hij de Lance Armstrong van zijn tijd,”zegt Tom Isitt, schrijver van Riding in the Zone Rouge: The Tour of the Battlefields 1919 – Cycling's Toughest-Ever Stage Race. “Hij had een kort lontje, maakte voortdurend ruzie met Tourdirecteur Henri Desgrange, klaagde over de lange afstanden en over La Sportive. Hij zocht altijd ruzie, zelfs in een lege kamer. Dat was misschien waarom hij zo’n geslaagde coureur was. Hij was agressief en ging voor niets of niemand opzij.
Het publiek had dit irritante gedrag zeker niet gewaardeerd, als Henri niet ook een zeer begaafd renner was geweest.
De Nederlandse socioloog Benjo Maso verklaart in zijn baanbrekende boek, Het Zweet der Goden: “Henri Pélissier kon zich deze houding veroorloven, omdat hij niet alleen de beste, maar ook de populairste renner van zijn tijd was. En omdat zijn eigengereidheid hem nog geliefder maakte.”
Pélissier won Lombardije twee keer, Hij won Milaan-Turijn en Milaan- San Remo en eindigde als tweede in de Ronde van Frankrijk 1914, vlak na de Belg Philippe Thys op 1’50’’, een miniem gaatje in die dagen.
Tijdens WO I moest Pélissier op voor militaire dienst bij de luchtmacht, maar keerde terug in de wielerstal om in 1919 Parijs-Roubaix te winnen over een parkoers door een gebied dat nog grotendeels in gruzelementen lag.
Deze toestanden bezorgden de koers het etiket “Hel van het Noorden”. De organisatoren bezochten het gebied vóór de koers en schreven het volgende huiveringwekkende rapport: “We betreden het eigenlijke slagveld. Gen boom te zien, alles is plat. Geen vierkante meter grond of hij is ondersteboven gekeerd. We zien series bomkraters. Het enige dat overeind staat in deze omwoelde aarde zijn de kruisen met rood-wit-blauwe linten. Het. Is. De. Hel!”
Henri Pélissier noemde deze Parijs-Roubaix niet een koers, maar een “pelgrimstocht”. Een stilstaande trein blokkeerde zijn weg. Landgenoot Honoré Barthelemy en die Vlaming Thys zaten hem op de nek. Hij klom de trein in en sprong er aan de andere kant weer uit.
Zijn broer Francis, eerstejaars prof, werd zesde die dag. De beide Pélissiers stonden aan de start van de Ronde van Frankrijk. Henri won de tweede etappe vóór Francis; in etappe drie werden de rollen omgedraaid. Geen van beide behaalde de eindstreep van die Tour. Henri werd tweede in de Tour van 1914, maar in vier van zijn vijf volgende Tours haalde hij de finish niet.
De eerste wereldoorlog verscheurde Europa en liet weinig over van het wielrennen. De Pélissiers verloren hun broer Jean-François, en veel kampioenen overleefden de vijandelijkheden niet, onder wie drie Tourwinnaars: Lucien Petit-Breton (1907 en 1908), François Faber (1909) en Octave Lapize (1910). De laatste had ook drie keer Parijs-Roubaix gewonnen, in 1909, 1910 en 1911.
Veel fietsfabrieken die wielerteams sponsorden begin 20ste eeuw hadden zwaar geleden of waren vernietigd tijdens de oorlog. Er was te weinig geld in kas voor de gebruikelijke sponsoring, en dus ontstond het consortium La Sportive, waarin de voornaamste Franse merken – onder wie Alcyon, Automoto, La Française en Peugeot - samen gingen om zo de kosten van materiaal en salarissen te delen.
Het gevolg was dat het halve peloton onder één vlag reed, die van La Sportive. Onder hen ook Henri en Francis Pélissier die gedwongen waren een tweejarig contract te tekenen van 300 franks per maand. Dit was ongeveer twee maal het salaris van een geschoolde arbeider, maar de broers voelden zich benadeeld en eisten een hoger bedrag voor hun diensten.
Maar La Sportive, onder leiding van de autoritaire Alphonse Baugé, voormalig wielrenner en ploegbaas van Peugeot vóór de oorlog, gaf geen krimp. Dus benaderde Henri een beginnende framebouwer, Pierre Maisonnas, om te praten over toekomstige samenwerking. Toen Maisonnas aarzelde, deed Henri hem een belofte: “wij winnen Parijs-Roubaix voor jou”.
Dit initiatief van de broers maakte Baugé zo boos dat hij zijn renners bij La Sportive in een stevig communiqué liet weten: “Deze twee mogen geen koers winnen, en zeker niet Parijs-Roubaix! De bal ligt bij jullie.”
Isitt verklaart de onwerkbare dynamiek voor de start van de koers in 1921: “Niemand was echt blij met de situatie: 140 wielerprofs in één ploeg, allemaal op een identieke fiets met identieke banden. Daar moest je niet mee aankomen bij de Pélissiers. Die hielden niet van eenheidsworsten. Die wilden geen deel zijn van 140 andere La Sportive renners. Dus reden zij demonstratief als isolés – eenlingen- ook al reden ze op fietsen en banden van La Sportive.”
Gevangen tussen twee werelden, startten de Pélissiers in de kleuren van La Sportive, maar zonder enige andere voorziening. Als onafhankelijken mochten ze niet rekenen op hulp van de ploeg. Bovendien waren ze gebrandmerkt. Er zat niets anders op dan te winnen. Dan wachtte hen een contract met Pierre Maisonnas. Zo niet, dan stonden ze op straat en zouden ze zich genoodzaakt zien hun heil te zoeken in Italië.
Baugé was niet de enige gezagdrager die zich de woede van Pélissier op de hals haalde. Tourbaas Desgrange kreeg het ook voor de kiezen. Pélissier won de tweede etappe in de Tour van 1919, zijn broer werd tweede. Hij wilde eruit stappen vanwege het weer, maar werd door Desgrange gedwongen door te rijden. Hij gehoorzaamde zowaar, won de sprint van het peloton en werd tweede na broer Francis. Toen deed hij zijn beruchte uitspraak over de ‘boerenknollen’ en het ‘raspaard’.
Hij zou die avond opstappen uit de Tour, maar ontdekte dat hij niet genoeg geld had voor de trein naar Parijs. Hij is dus toch maar gestart voor de 4de etappe.
Er waren nog slechts 23 renners in koers en die ‘boerenknollen’ voelden zich zwaar beledigd door de leider. Toen Henri lek reed en werd geassisteerd door zijn broer, spurtte het peloton er vandoor. Toen de broers vervolgens in de achtervolging gingen, kregen ze van Desgrange een reprimande: ze werkten samen in die achtervolging. Henri verloor 35 minuten; Francis meer dan 3 uur. Om het allemaal nog erger te maken, kreeg Henri het nog eens aan de stok met Desgrange. De laatste weigerde hem een tweede glas wijn op de receptie na de etappe. Ziedend leverden de broers hun plunjezak in.
De bittere vete ging door in de Tour van 1920. Pélissier had al de twee voorgaande etappes gewonnen. Hij kreeg in etappe 5 een tijdstraf van twee minuten. Hij had een lekke binnenband in de berm gegooid. Pélissier protesteerde en stapte per direct uit de koers. Dit gaf Desgrange aanleiding zijn arrogantie publiekelijk aan de kaak te stellen.
Via zijn krant L’Auto liet Desgrange zijn lezers weten dat Pélissier misschien de fysieke, maar niet de morele kracht had de Tour te winnen: “Henri Pelissier zit tot de rand vol met klasse, maar weet niet wat afzien is. Hij heeft een volle buik, maar de Tour vereist de maag van een magere kat”, schreef hij, en zette hem in de hoek als iemand die beschikte over “het zenuwsysteem van een bekoorlijke dame.”
Het is een renner met een hoop talent zonder te weten wat ermee te doen. Hij kan vele koersen winnen, maar nooit zal zijn naam prijken op de erelijst van Tourwinnaars.
Behalve directeur van de Tour was Desgrange ook de baas over Parijs-Roubaix. Toen de Pélissiers zich zonder waarschuwing meldden in zijn kantoor een paar dagen vóór de start in 1921 om hun wens zich los te maken van La Sportive te bespreken, luisterde hij maar wees hun argumenten botweg af. Hij verkondigde ter plekke dat hun namen nooit meer zouden verschijnen op de voorpagina van L’Auto. Toen Henri een paar dagen later met de zege ging strijken, moest hij die woorden wel inslikken.
De 22ste editie van Parijs-Roubaix vond plaats op zondag 27 maart 1921. Om 6h 15 vertrokken 140 renners van de voorstad Suresnes, bij het Bois de Boulogne. Vanwege de snelheidsbeperking van 14 km per uur in Parijs, pedaleerden de renners achter de auto’s van de officials tot Chatou aan de andere kant van de slingerende Seine. Daar namen ze een kwartier koffiepauze en de officiële start was om 7:10.
Het was ideal koersweer. L’Auto beschreef de wegen als “niet al te slecht”. Laten we niet vergeten dat zo ongeveer het hele parkoers van 270 km in die jaren bestond uit kasseien of onverharde weg. Tegenwoordig zijn er ca 28 stroken van samen zo’n 50 a 60 km.
Na 33 km wedstrijd arriveerde het peloton bij het Café de la Terrasse in Pontoise voor een pit-stop. 40 renners waren al afgehaakt. Toen volgde al snel het treinincident. L’Auto rapporteerde de volgende dag: “Een machinist die kennelijk geen kaas had gegeten van wielersport, bracht zijn trein tot stilstand op de overgang, en begon toen heel voorzichtig op en neer te manoeuvreren. Er ontstond een boeiende worsteling tussen de coureurs. De één ging achterlangs, de ander voorlangs, weer een ander probeerde onderlangs, toen het gevaarte even stilstond. Binnen een paar kilometer waren de favorieten weer samen.”
De eerste serieuze aanval kwam van Jules Masselis die op 82 km het dorp Beauvais passeerde. Hij had daar twee minuten op een peloton van zo’n 60 man geleid door Honoré Barthelemy.
Om 10.25 in Breteuil had Masselis bijna 6 minuten. Maar toen gingen de broertjes op jacht om de eenzame koploper vóór Amiens, halverwege de koers, terug te pakken. In Amiens werd de wedstrijd 2 minuten geneutraliseerd voor een eetpauze. L’Auto schrijft dat daar 10,000 enthousiaste belangstellenden zich daar hadden verzameld voor een gulzige blik op ‘onze koningen van de weg’
Op 100 km van de meet doemde de eerste serieuze hindernis op, de Côte de Doullens. Hier werd traditioneel de eerste schifting gemaakt in de vroege Parijs-Roubaix geschiedenis, en hier sloegen de Pélissiers hun slag.
Zoals tevoren afgesproken joegen Henri en Francis Pélissier het tempo op in de klim bij Doullens. Ze scheidden zich af met de Fransman Romain Bellenger en de sterke Vlaming René Vermandel, winnaar van de Ronde van Vlaanderen twee weken eerder. Onder de achterblijvers was Paul Deman, de titelverdediger.
Bellenger kwam als eerste boven en kon de premie van 100 franken opsteken. Op een half wiel zat Henri Pelissier. Francis volgde als zijn schaduw, met Vermandel in zijn wiel.
In de afdaling sloten de Belgen Emile Masson, Hector Tiberghien en Léon Scieur aan. Scieur zou later dat jaar de Tour winnen. De renners trokken nu door het verwoeste land waar toen nog steeds lichamen van oorlogsslachtoffers werden gevonden. “Voor veel van die renners moet het behoorlijk emotioneel geweest zijn,” zegt Isitt. “Net als de Pelissiers, moeten de meeste van hen onder de wapenen geweest zijn.”
Geholpen door een rugwind, hielden de broers een moordend tempo aan. Bellenger en Masson werden vóór Arras gelost na een lekke band met nog 70 km. Met de Belgen Marcel Buysse en Philippe Thys vormden ze een jachtgroep.
Het was geen toeval dat zo veel topcoureurs uit België kwamen. Het waren vaak geharde boerenzonen, die wel erger gewend waren dan die beroerde landweggetjes in Noord-Frankrijk. Hun Franse collega’s kwamen veelal uit een bourgeois, stads milieu.
Maar vandaag deelde de bourgeois de lakens uit. De drie Belgen hadden alle moeite het wiel te houden van de krankzinnige Fransen.
De weg lag droog, het tempo hoog en Séclin werd bereikt, een half uur eerder dan voorzien. Hier probeerde Vermandel een deal te sluiten met de broers. Hij stelde voor de vijandelijkheden te staken en het uit te vechten in de sprint. Henri was toch ontegenzeglijk de beste sprinter.
De bloeddorstige Pélissiers wilden geen enkel risico nemen en weigerden. Met nog 8 km deed Henri zijn beslissende aanval op de helling bij Hem.
L'Auto beschrijft de laatste kilometers van de koers: “De epiloog was snel en navrant. Omringd door een immense menigte, dwars door een dikke wolk van auto’s en toeschouwers, maakte een machtige Henri Pélissier zich los op de korte kasseienklim van Hem. In een oogwenk had hij een gat van 50 meter. Zijn broer Francis deed het uiterste in de jacht, maar zag bijna onmiddellijk hoe zijn voorband ongelukkigerwijze de geest gaf. Vermandel snelde op zijn beurt de ontsnapte achterna, maar na 50 meter ontplofte ook zijn band.”
De eindstreep lag in het Stadion Jean-Debrulle. Aanvankelijk was het een wielerbaan, maar het was omgebouwd tot voetbalveld. Pas in 1943 werd de betonnen kom gebouwd van het nu zo beroemde velodroom Roubaix
Toen in het stadion bekend werd gemaakt dat Henri Pélissier leider was in de koers, werd de voetbalwedstrijd die aan de gang was stilgelegd. De finish was pas verwacht ruim na het laatste fluitsignaal. De spelers verwelkomden de renners met applaus.
Pélissier kruiste de streep als eerste. Het was zijn tweede zege in Roubaix in drie jaar. Achter hem was er een fel duel om plek twee tussen zijn broer en Vermandel. Ze reden allebei op de velgen vanwege hun lekke band, en de Belg Scieur zat hen dicht op de hielen. Na twee bloedstollende ronden in het stadion, haalde Francis het vóór Scieur die zijn landgenoot Vermandel nipt voorbij was gestoven.
Na zijn zege werd Pélissier gevraagd naar zijn indruk van de koers. Hij zei kortweg: ”mijn ogen doen zeer. Anders nog wat?” Maar toen hij wat tot bedaren was gekomen was hij even blij met de tweede plaats van zijn broer als met zijn eerste. Het enige wat hem speet was dat ze niet samen arm in arm de streep hadden gekruist. Een wedstrijdofficial zei daarop: “wees dan maar blij met dat lek, want als jullie op die manier de streep hadden gekruist, had ik jullie gedeclasseerd vanwege ongeoorloofde samenwerking.”
In de kleedkamers ging Alphonse Baugé, ploegbaas van La Sportive, flink los en gaf zijn renners ongenadig op hun lazer dat ze de Pélissiers hadden laten winnen. Heel La Sportive stond nu immers in haar hemd.
Met deze uitslag zag Desgrange zich gedwongen zijn woorden in te slikken. De volgende dag viel de naam Pélissier in alle acht kolommen van de voorpagina.
Heel typerend voor Desgrange en zijn stijl, kopte de krant niet met de zege van Henry Pélissier. Evenmin werden de broers genoemd in de dikgedrukte kop rechtsonder aan de pagina. In plaats daarvan stond er: “De Hazewind triomfeert” – de bijnaam van Henry. Ook werd naar hem verwezen als ‘de troef van La Sportive’.
Maar ter compensatie, ook al zou het tot grote ergernis van Desgrange zijn, was het artikel zelf uiterst lovend over de Pélissiers; zoals die de voltallige Belgische coalitie op de knieën hadden gekregen.
De beste man van het peloton op dit soort afstand, De Hazewind van de Weg, onze grote held Pélissier heeft gewonnen, op slechts enkele seconden gevolgd door zijn broer Francis. Henri Pélissier is onverslaanbaar in koersen als Parijs-Roubaix. Gisteren kon de overwinning hem niet ontgaan. Bravo, Henri en bravo, Francis, twee broers die elkaar meer dan waardig zijn.
En toch kon de krant het niet laten een toespeling te maken op het conflict met La Sportive. Dissident Henri werd subtiel gekapitteld
De toon van het artkel is er een van kruiperigheid richting La Sportive en Baugé. Het eindigt met een eerbetoon aan het grote nationale merk, het Consortium van Constructeurs. “De zege van vandaag is hun triomf en het is één van hun fraaiste.”
Heeft La Sportive niet de eerste zestien plaatsen bezet? vroeg L’Auto met verbijsterend ongeloof. Dit moet een record zijn, waar onze vriend Baugé trots op kan zijn.
En om dat punt nog eens te onderstrepen, meldde het artikel dat de toprenners van het Bianchi-Dunlop team – Marcel Buysse en Jules van Hevel –minstens vier keer hadden lek gereden
Veertien dagen later, gingen de broers weer geweldig te keer in Parijs-Tours. Het was een epische koers met harde wind en een sneeuwstorm. Slechts acht van de 64 gestarten haalden de finish. Al vroeg in de koers demarreerden de Pélissiers. Henri verzwakte en liet het aan zijn broer over om Eugene Christophe en Louis Mottiat uiteindelijk te kloppen. De laatste renner kwam vier uur na Francis over de streep.
De broers maakten nu ook officieel geen deel meer uit van La Sportive. Het consortium ging dan ook einde seizoen definitief ter ziele.
Uit verbittering over de kwetsende woorden van Desgrange en omdat ze ook niet welkom waren na hun afscheid van La Sportive, lieten de broers de twee volgende Touredities aan zich voorbijgaan. Maar ze kwamen terug in 1923. Negen jaar na zijn tweede plek, haalde Henry Parijs in de pas geïntroduceerde gele trui. Eindelijk weer een Tourzege voor Frankrijk, de eerste na 12 jaar.
In dat zelfde jaar finishte Francis als 23ste . In 1927 won hij de openings-etappe, droeg vijf dagen het geel en gaf toen op. Dit was zijn laatste Tour optreden. Twee jaar eerder had Henri er al de brui aan gegeven met als argument het satanische regime dat Desgrange de renners oplegde.
In Henri’s voorlaatste Tour, in 1924, waren de broers eruit gestapt na een conflict over een trui. Desgrange had Henri niet toegestaan een trui uit te trekken toen de zon zich liet zien na een vroege koude start.
Die avond, in het station van het Normandische Coutances, gaven de broers dat beruchte interview. Ze zeiden dat ze als circusdieren werden behandeld, omschreven zichzelf als ‘slaven’. Op die manier zagen ze zich gedwongen zich in het zadel wakker te houden op ‘dynamiet’, allerlei soorten substanties, van cocaïne via amfetamine tot chloroform. Daar in Coutances werd de term ‘dwangarbeiders van de weg’ gemunt door Albert Londres, de ietwat naïeve journalist die met het bericht kwam.
Gesteund door de golf van populariteit die dit interview hem bezorgde, richtte Henri de eerste wielervakbond op als reactie op het plan van Desgrange om de inhoud van de etenszakjes te standaardiseren. De moraal was natuurlijk: kom niet aan het eten van een Fransman. Toen Belgische renners weigerden te staken in Parijs-Tours, ging de bond ter ziele.
Francis ging met pensioen vier jaar na Henri, in 1932, maar ondertussen was de aandacht verplaatst naar de jongste broer, Charles, die zich, na een trage start had ontwikkeld tot één van de beste Toursprinters. Hij heeft het record: 8 etappes in één Tour, die van 1932. Alle drie de broers hadden de Parijs-Roubaix van 1926 verreden. Charles zou een jaar later als derde eindigen en als tweede in 1931.
Na zijn pensioen werd Francis ploegbaas van Mercier en La Perle in de jaren 30, 40 en 50, en koesterde hij het ontluikende talent van ene Jacques Anquetil.
Van de drie Pélissiers was Charles de knapste, populairste en charmantste. Hij kon zelfs prima overweg met Desgrange, dit ondanks de vuige, maar zeer geloofwaardige geruchten over een affaire met diens vrouw. Met of zonder fiets, hij was de dandy, die naar verluidt de trend van de witte wielersokken startte. Na zijn briljante carrière werd Charles commentator voor Radio Luxemburg. Later werkte hij in de PR en de journalistiek.
Voor Henri was de toekomst niet zo aardig. Na zijn fiets aan de wilgen te hebben gehangen, ging het vrijwel meteen helemaal mis. Zijn vrouw Léonie kon het gewelddadige leven met deze boze man niet langer aan en joeg zich een kogel door het hoofd. Henri’s tweede vrouw richtte twee jaar later hetzelfde geweer op haar man en schoot hem dood.
Omdat Henri haar had aangevallen met een mes, kreeg ze slechts een voorwaardelijke straf van een jaar voor doodslag.
Henri en Francis Pélissier zijn nog steeds de enige twee broers die, zoals al gezegd, op één en twee zijn geëindigd in een monument. Het lijkt onwaarschijnlijk dat dit record ooit geëvenaard gaat worden. Of gaan de Yates broertjes iets ongelooflijks neerzetten in Luik of in Lombardije? Het woord is aan u, heren …..
GP du Morbihan
GP Morbihan | Marit sprint op fraaie wijze naar eerste profzege in zijn loopbaan
19 UUR GELEDEN
Wielrennen
GP Morbihan | Consonni stelt zege veilig met sterke sprint vanuit elitegroepje
19 UUR GELEDEN