Luister hier de podcast:
De Brabander had nog nooit een col gezien. In de afzink van de Aubisque wilde hij een door een eerdere val opgelopen achterstand goedmaken met gewaagde capriolen, maar in een van de bochten klapte zijn band en tuimelde hij een Pyrenees ravijn in.
Wielrennen
Vuelta España Femenina | Vuelta voor vrouwen evolueert, nieuwe naam en twee extra etappes
GISTEREN OM 11:14

OPGAVES IN HET GEEL

Tot nu toe hebben zestien coureurs de Ronde van Frankrijk moeten verlaten terwijl ze het geel droegen, maar niet één op zo’n dramatische wijze als onze landgenoot Wim van Est.
Ziekte en een kapotte fiets troffen Francis Pélissier en Victor Fontan in de twintiger jaren van de vorige eeuw. Twee andere Fransen – Bernard Hinault in 1980 en Stéphane Heulot in 1996 – verlieten het slagveld met knieblessures.

Wim van Est kwam op de Aubisque ten val in de gele trui.

Foto: AFP

De Belg Sylvère Maes (1937) en de Italiaan Fiorenzo Magni (1950) vertrokken uit protest, terwijl een andere Belg, Bernard van de Kerkhove, in 1965 slachtoffer werd van een zonnesteek. Achttien jaar later was opnieuw een Fransman aan de beurt. Pascal Simon ploeterde zes dagen voort met een gebroken schouder, maar moest uiteindelijk, met Parijs al in zicht, alsnog opgeven.
Anderen werden eruit geschopt. Zij werden verdacht van het gebruiken van doping: de Deense Rabo-renner Michael Rasmussen in 2007, en Michel Pollentier, de Belg, die de urine van iemand anders gebruikte bij een dopingtest in 1978.
Hoe Pollentier te werk ging en zijn vals spel aan het licht kwam, is nog wel de moeite waard om te vertellen. Hij had namelijk een urinemonster van een ander in een condoom onder zijn oksel. Via een slangetje onder zijn shirt werd dat, tijdens het ‘plassen’ met de rug naar de dokter - het moest tenslotte fatsoenlijk blijven – opgevangen in de fles. Pollentier werd ontmaskerd toen het geklungel van een andere renner met diens slangetjes argwaan wekte bij de dienstdoende dokter en ook Pollentier zijn shirt omhoog moest doen.
Dan zijn er nog een aantal slachtoffers van brute pech. Na valpartijen in de openingsweek werd de hoop van Chris Boardman (1998), Fabian Cancellara en Tony Martin (beide in 2015) wreed de bodem ingeslagen.

WIMME VAN EST

Laten we eens kijken naar de enige Nederlander op dit lijstje. Nauwelijks had Wim van Est tweederde afgelegd van zijn eerste rit in het geel in de Pyreneeën, of hij raakte van de weg en duvelde het ravijn in. Hij bleef liggen op enkele meters van een loodrechte wand, waarbij dus niet alleen een einde kwam aan zijn Tour, maar ook bijna aan zijn leven.
Wilhelmus (kortweg Wim of Wimme) van Est werd geboren in 1923 in het Brabantse Sint Willebrord, de tweede van maar liefst 16 kinderen. Vijf jongere broers Nico, Piet, Kees, Toon en Leen zijn ook coureur geweest. Piet van Est won aan het begin van de jaren '60 zelfs een Giro-etappe.
Wim was bekend als IJzeren Willem, de Knoest, de Locomotief en als de Beul van ‘t Heike, zoals zijn geboortedorp in de volksmond wordt genoemd. Namen die hem alle eer aandoen, maar ‘de Locomotief’ moet toch ook wel iets te maken hebben met het feit dat hij jarenlang vaandeldrager is geweest van de ploeg Lokomotief-Vredestein van ploegleider Kees Pellenaars.
Het leven was niet mals voor het gezin Van Est. Ze waren alles kwijtgeraakt in de Eerste Wereldoorlog en huisden in een keuterboerderijtje. Toen één van Wims kleine broertjes stierf aan een longziekte, kon vader geen kist betalen. Hij maakte er zelf een, stapte op de fiets met het zelfgemaakte kistje onder de arm en een spade onder een als snelbinder dienstdoende binnenband, en fietste naar de dorpskerk om het kind daar te begraven.
Om zijn berooide familie te helpen de Tweede Wereldoorlog te overleven, smokkelde Wimme als tiener kaas en tabak de Belgische grens over. Hij bracht dan vaak zeep mee terug die hij verkocht op de zwarte markt, onwettige praktijken die hem zes maanden gevangenis opleverden, maar ook een portie morele kracht.
Toen de oorlog en zijn tijd in de gevangenis erop zaten, bedacht Wim dat hij een boterham zou kunnen verdienen met fietsen. Hij had een koers gezien in Sint Willebrord, en zei: dat kan ik beter. Snel bleek dat hij dat goed had gezien.

BRUTE KRACHT

Wim van Est – je-moet-alles-proberen – werd prof in 1949. Hij was toen al 26. Het jaar erop won hij de loodzware 600 km lange koers Bordeaux – Parijs. In 1951 werd hij in diezelfde koers tweede. Hij was sterk als een os. Wat hem zo goed maakte was een mix van passie, leepheid en brute kracht, precies wat je zou verwachten van een hardwerkende boerenknecht met een tanige kop, eeltige knuisten en een dusdanig Brabants accent dat zelfs Hollanders de grootste moeite hadden te begrijpen wat hij zei.
Zijn stuurmanskunsten en bochtenwerk lieten veel te wensen over, maar deze taaie rakker raapte zichzelf altijd weer op en koerste dan onverdroten verder. Tegen 1951 had hij voldoende laten zien om te worden geselecteerd voor de nationale ploeg voor de Tour de France. Na zo’n armoedige jeugd had Van Est heel weinig gereisd. Verder van huis dan Bordeaux voor die twee koersen was hij tot dan toe nooit geweest. Hij was nu 28, zijn eerste Tour de France, en de eerste keer dat hij een echte berg zou zien. Nu nog er tegenop.
Het parkoers van de Ronde van Frankrijk van 1951 viel op door twee nieuwigheden: de Mont Ventoux stond op het programma, en voor het eerst werd niet de zeskante buitengrens van Frankrijk aangehouden, maar ging men het binnenland in, met twee etappes in het Centraal Massief.
Titelverdediger Ferdi Kübler stond niet aan het vertrek in Metz. Na een glanzend voorjaar met winst in de Waalse Pijl, Luik-Bastenaken-Luik was hij knap derde geworden in de Giro en had hij later ook nog de ronde van Zwitserland gewonnen. Kübler was wel toe aan wat rust. Maar hij had ook absoluut geen zin te gaan knechten in de Zwitserse nationale Tourploeg voor zijn rivaal Hugo Koblet.

ZWITSERSE RIVALEN

Koblet was door Kübler geklopt in zowel de Ronde van Zwitserland als de Ronde van Romandië, maar hij had op zijn beurt dan wel weer als eerste niet-Italiaan de Giro gewonnen in 1950. Hij was vijf jaar jonger dan Kübler en hem was het kopmanschap in de Tour beloofd. Dit in weerwil van het feit dat Kübler de Tour van 1950 op zijn naam had geschreven. Kunt u het nog volgen?
Hun rivaliteit had misschien niet de intensiteit van die tussen Coppi en Bartali, maar was wel net zo intrigerend. Ze beschikten allebei over een enorme motor, maar waren verder zo verschillend als Emmentaler en Gruyère. Kübler was een mannetjesputter, met een haakneus en een demonische grijns, zodat hij bij een uiterste inspanning op de fiets iets had van een doorgeslagen Jan Klaassen. Hij had dan het schuim op de mond, zodat hij bekend raakte als ‘Le Fou Pédalant’, ‘de Krankzinnige Pedaleur’.
Er zijn overigens bronnen die beweren dat de eerste ‘Fou Pédalant’ een Nederlander was. Niet Wim van Est, maar ene Gerrit Schulte. Al in 1936 – hij was toen 20 - werd hem die bijnaam gegeven door een Franse sportjournalist.
Amsterdammer Schulte, een reus van een kerel, smeet met zijn krachten, demarreerde onophoudelijk en gaf nooit op. In 1938 nam hij deel aan de Tour, won daar een etappe, en hield aan drie weken harde koers 95 gulden over, naar eigen zeggen. In datzelfde jaar streek hij 750 gulden op voor twee uur baankoersen. Dat was het einde van zijn Tourambitie.

PEDALEUR DE CHARME

Koblets bijnaam kon niet meer verschillen dan die van zijn landgenoot. Hij werd namelijk de ‘Pedaleur de Charme’ genoemd. Lang, verzorgd, beschaafd, Koblet zag eruit als een idool. Altijd koerste hij met een kammetje in zijn achterzak, vaak met een flesje Eau de Cologne. Als het even kon sloeg hij ver vóór de meet toe, zodat hij ruim de tijd had zijn gezicht schoon te poetsen en zijn blonde krullen in model te brengen voor hij op het podium de Miss zou omhelzen.
Het was sinds de dagen van Charles Pélissier geleden, dat het peloton nog zo’n knappe man geherbergd had. Waar die Franse dandy de Adonis van het peloton was, werd Koblet door L’Equipe omschreven als ‘Apollo op een fiets’.
Achter elke façade schuilt vaak een waarheid die wat minder mooi is. Neem de gewoonte van Koblet zijn haar te kammen tijdens de koers. Mogelijk deed hij dat om zijn rivalen de indruk te geven dat het hem geen enkele moeite kostte. Hij wendde deze tactiek bijvoorbeeld aan op de lastigste klim in de Ronde van Zwitserland. Ogenschijnlijk trapte hij in de boter, maar in werkelijkheid had hij te kampen met acute aambeien.
De Tour van 1951 ging van start in Metz op 4 juli en beloofde een open wedstrijd te worden. Op papier zou Fausto Coppi de te kloppen man moeten zijn, maar de campionissimo was niet gemotiveerd na de dood van zijn broer, die een paar weken eerder was omgekomen in de Ronde van Romandië.
De rouwende Coppi had gedreigd met stoppen, maar besloot een paar dagen na de begrafenis van broer Serse, in 1949 nog gedeeld winnaar van Parijs-Roubaix, toch weer op te stappen. Zijn hoofd stond niet naar een strijd om het geel. Hij leek het veel belangrijker te vinden om de Tourorganisatie de regel alleen-voor-mannen te laten vallen, zodat zijn vrouw hem kon vergezellen tijdens de wedstrijd.
De sterke Italiaanse ploeg kon ook nog bogen op Gino Bartali en Fiorenzo Magni, terwijl de Belgen de degelijke Stan Ockers als kopman hadden. Hij was in 1950 als tweede geëindigd achter Kübler.
Koblet’s grootste uitdager was misschien te zoeken in de Franse gelederen, met Jean Robic, winnaar in 1947, klimmer Raphaël Géminiani, en allrounder Louison Bobet, nationaal kampioen en dat voorjaar winnaar van Milaan-San Remo.
Direct bij de start al kon Koblet de verleiding niet weerstaan eens duchtig in de pot te roeren. Het startschot had nog niet geklonken of hij ging keihard in de aanval. Na een jacht van 40 km werd de Zwitser tot de orde geroepen. Er volgde een wapenstilstand, maar de ambitie van Koblet was overduidelijk.
Pas in etappe 7 ontbrandde de oorlog weer. Op het programma stond een monstertijdrit van 85 km. Koblet gooide alles in de strijd en won in Angers. Een dozijn rivalen was in één klap uitgeschakeld.
Een defecte tijdmeter had aanvankelijk Bobet aangewezen als winnaar, waarmee de Fransman in het geel zou komen. De tussentijden lieten zien dat zijn winnende tijd onmogelijk was, en de jury gaf de zege terecht aan Koblet. Daarmee klom hij naar een derde plaats in het algemeen klassement.

KOBLETS KUNSTSTUKJE

De drie volgende etappes voerden de karavaan landinwaarts richting het Centraal Massief, maar pas in etappe 11, een typische overgangsrit van Brive naar Agen, liet Koblet zien uit welk hout hij was gesneden. De bergen lagen nog achter de horizon. Niemand verwachtte een aanval van een favoriet op dit soort onschuldig terrein, maar Koblet legde zijn rivalen wel vaker in de luren.
De debutant demarreerde met nog 135 km te gaan. Zijn meer doorgewinterde rivalen keken elkaar aan, wijzend naar het voorhoofd. “Die blaast zich wel op.” Maar toen het gat 4 minuten bedroeg, brak er toch wel paniek uit.
Een lekke band voor Bobet betekende dat de Franse ploeg moest afhaken en de jacht aan de Italianen overliet. Op 70 km van de meet was de voorsprong nog 3 minuten. Tegenover het jagende peloton hield Koblet stand. Hij rolde Agen binnen met meer dan 3’30’’ voorsprong.
L’Equipe schreef: “De mannen in de volgauto’s zagen tot hun verbazing hoe Koblet zich oprichtte, kushandjes rondstrooide naar de meisjes, een natte spons uit zijn zak haalde. Voorbij de streep spoelde hij het zweet van zijn gezicht met Perrier, kamde zijn haar en drukte de stopwatch in.
Dat laatste was om een herhaling te voorkomen van het incident met de foute tijdmeter in de tijdrit, toen hij bijna de winst was misgelopen. Naar aanleiding van deze imposante ontsnapping muntte cabaretier Jacques Grello het befaamde ‘Pédaleur de Charme’, dat al snel ging behoren tot de wielerfolklore.
Koblet bleef derde in het klassement. Zijn achterstand op leider Roger Levêque was gehalveerd, maar nog steeds 3’27’’. Géminiani was vierde, maar die had geen illusies over wie de lakens uitdeelde.
“Dat was een weergaloze prestatie,” zei de Fransman. “Als er twee fietsende Koblets zouden zijn, zou ik morgen met pensioen gaan… Als hij klimt zoals hij op het vlakke rijdt, kunnen we de gele trui vergeten. Als hem niets overkomt, kunnen we morgen op zoek gaan naar ander werk.”

IJZEREN WILLEM PAKT GEEL

Maar we zouden het hebben over IJzeren Willem uit Sint Willebrord. Onze debutant was uitstekend begonnen. Hij had deel uitgemaakt van een ontsnapping in etappe 6, samen met Levêque en Bauvin. Het kopgroepje had 13 minuten gepakt op het peloton. Daags na Koblet’s huzarenstukje, was het aan Van Est om geschiedenis te schrijven.
Samen met de Noord-Hollander Gerrit Voorting, ook al zo’n oersterke beer, zat hij in een kopgroep van tien, die in een mum van tijd een royale voorsprong nam in een vlakke etappe over 233 km van Agen naar Dax. De gele trui liep geen gevaar, dus het voordeel mocht groeien. Voorting trok de sprint aan voor zijn ploeggenoot, die de Franse sprinter Louis Caput erop legde op de sintelbaan van het stadion van Dax, niet ver van Pau.
Het peloton kwam binnen op meer dan 18 minuten! Van Est nam niet alleen zijn eerste Tourwinst, maar kreeg ook het geel om de bonkige schouders.
Hij was euforisch, maar vatte de afloop nuchter samen: “Ik won de sprint omdat het op een sintelbaan was. En daar moet je zo dicht mogelijk bij de binnenste baan blijven. Normaal verlies ik een sprint van Caput, maar nu dus niet. We hebben er die avond een borrel op genomen”. Natuurlijk kon hij niet bevroeden dat het geel van korte duur zou blijken.
De Dag des Oordeels was aangebroken voor de Beul van ‘t Heike: zijn eerste kennismaking met het hooggebergte. Hij was vastbesloten zijn trui met hand en tand te verdedigen. In de 201 km lange etappe naar Tarbes anticipeerde hij op de Aubisque door vroeg aan te vallen.
Die tactiek betaalde zich uit. Ondanks zijn minimale klimervaring, kwam Van Est zij aan zij boven met figuren als Koblet, Coppi en Ockers, die op jacht waren naar koploper Géminiani.
Klimmen is één ding, dalen is andere koek. De Brabantse boerenzoon keek zijn eerste serieuze daling in de grijnzende smoel. Niet voor niets hadden renners van een vorige generatie de Tourorganisatoren die dit soort ritten uitgetekendhadden voor ‘moordenaars’ uitgemaakt. Ook door de wol geverfde routiniers in het peloton zagen deze afdaling als één van de riskantste.
De eerste haarspelden nam hij redelijk voorzichtig. Hij slipte, maar hield zich staande. Een paar tellen later belandde hij met een dramatische salto naast de weg. Onbeschadigd en onaangedaan klom hij weer op de fiets, net toen Magni voorbij flitste. “Ik had gehoord dat Magni een prima daler was, dus ik ging bij hem in het wiel zitten. Dat werkte, we kwamen snel dichter bij de kop”, zei Wimme later.

VEELVALLER

Mart Smeets’ beschrijving van het technisch kunnen van Van Est is het citeren waard: “IJzeren Willem was een renner uit één stuk. Hij trapte menige fiets in elkaar, omdat hij maar één ding kon: hard fietsen. Zijn val in dat 70 meter diepe ravijn mag dan historisch zijn, renners uit zijn tijd hebben het veel meer over het feit dat de Brabander absoluut niet kon sturen en eigenlijk elke dag wel ergens op zijn gezicht eindigde.”
En: “Het was van hem bekend dat hij tegenover Nederlandse wielerliefhebbers een heerlijke openhartigheid toonde. Hij zwaaide naar iedere Nederlandse passant en menigmaal wisten andere renners hem te verschalken. Dan riep men achter hem in het peloton zijn naam, den Wimme ging rechtop zitten, keek om, zwaaide vriendelijk … pats, daar lag hij weer.”
Enfin, gelost door Magni, werd Van Est bijgehaald door het Spaanse duo Francesco Masip en Dalmacio Langarica en de Belg Roger Decock. Toen gebeurde het.
“Het was nat van de sneeuw en er lagen stenen die los waren geraakt door die scheurende auto’s. Ik raakte zo’n steen en daar ging ik,” zei Van Est jaren later. “Ik wilde naar links, maar de fiets wilde rechtdoor. Ik had geluk, ik had de schoenriemen los gemaakt vlak voor ik ging dalen. In de val trapte ik de fiets van me af en hield mijn armen rond mijn hoofd. In een paar seconden zag ik mijn hele leven voorbij flitsen. Ik kwam niet al te hard terecht dankzij een paar kleine boompjes. Daar greep ik me aan vast.”
Van Est tuimelde over het muurtje, 70 meter het ravijn in. Dankzij die boompjes en een flinke lik geluk, belandde hij op een uitstekende rots.
“Een meter naar links of rechts en ik zou op harde rots gevallen zijn, zes- zevenhonderd meter verder de afgrond in. Mijn enkels en ellebogen waren kapot. Ik zat onder het bloed en was totaal de weg kwijt. Ik lag daar, terwijl de wedstrijd gewoon doorging.”

DE BESCHERMENGEL

Eén renner ging niet door. De Vlaming Decock, die de Ronde van Vlaanderen 1952 zou winnen. Hij was getuige van de val van Van Est en kneep in de remmen om alarm te slaan. De anderen in het groepje hadden niks in de gaten. Ploegbaas Kees Pellenaars arriveerde en een paar andere Nederlandse renners. Ze riepen zijn naam, maar het enige dat ze hoorden was de echo.
The Official Tour de France Centennial (1903-2003) vermeldt het drama: “Er moet een Beschermengel gewaakt hebben over Wim van Est. Hij lag dubbel, kwam overeind en wankelde naar zijn fiets. Op handen en voeten probeerde hij omhoog te klimmen. De volgers aan de rand van het ravijn, ziek van de spanning, konden hun ogen niet geloven.”
Omhoog klauterend besefte Van Est al snel dat zijn fiets naar de schroothoop kon. Hij keek omhoog en zag ploegmaat Gerrit Peeters. Die zou hem later vertellen dat hij, in die glanzende gele trui, eruit zag als een boterbloem. Decock hield het op een paardenbloem.
De Belgische fotograaf Piron was ter plekke als één van de eerste. Hij hielp een handje, maar was toch zo vrij om een paar kiekjes te maken. Zijn foto van een huilende IJzeren Willem zou de pagina’s van ettelijke kranten en bladen sieren.
Pellenaars nam een touw uit de ploegauto, maar dat bleek veel te kort. Er moest iets anders worden verzonnen. “Ze namen 40 tubes, knoopten die aan elkaar en gooiden die naar me toe, “ zei Van Est, die later beschreven zou worden als de miraculeuze overlevende van de Aubisque. “Meer banden had de ploeg niet. Toen ze me eindelijk eruit hadden getrokken, waren ze uitgerekt en kon je ze weggooien.”
Het duurde een uur voordat ze Van Est in veiligheid hadden getakeld. Overdekt met bloedende wonden, zakte hij door zijn benen, woorden van dank mompelend door zijn tranen. Hoewel zijn wonden slechts oppervlakkig waren, werd de Brabander in een ambulance geschoven. Pellenaars joeg de zwerm fotografen weg. Een van hen bood de patiënt een heupfles cognac aan. Van Est nam een flinke slok. Misschien gaf dat hem de moed om te zeggen: “Ik wil doorgaan, doorgaan.”

ZIEKENHUIS

Maar Pellenaars overtuigde zijn renner ervan om voor een controle naar het ziekenhuis te gaan. Hij besloot de hele ploeg terug te trekken. Zonder reservebanden zat er weinig anders op. Het halve peloton wist nog steeds van niets. In finishplaats Tarbes nam men maar aan dat de Gele Trui nog onderweg was en een slechte dag had.
Terwijl Van Est onderweg was naar het ziekenhuis, werd de Italiaan Serafino Biagioni de etappewinst toegekend, omdat Géminiani, die de sprint leek gewonnen te hebben, gedeclasseerd was naar de vierde plek na een onrechtmatigheid in die eindsprint. Bauvin zat ook in het kopgroepje van vier en kreeg het geel. Koblet en de andere favorieten kwamen binnen op 9 minuten.
Koblet zakte naar plek vijf, met meer dan 6 minuten achter op zijn voornaamste rivaal Géminiani. Maar de volgende dag zette de Zwitser het klassement op zijn kop in de Koninginnenrit. Coppi kwam als eerste boven op de Aspin en de Peyresourde, maar toen vocht Koblet zich na een lekke band terug op de Tourmalet, won in Luchon en greep het geel dat hij zou dragen tot in Parijs.
Hoewel zijn voorsprong op Géminiani na etappe 14 slechts 32 seconden was, zou die groeien tot maar liefst 22 minuten in de resterende tien dagen. Hij boekte een derde etappezege in Montpellier. Lucien Lazaridès werd de eerste coureur in de Tourgeschiedenis die het spandoek op de Mont Ventoux passeerde in een etappe naar Avignon die werd gewonnen door Bobet.
In etappe 20, na een superieure solo over de Col de Vars en de Izoard, pakte Fausto Coppi eindelijk een etappezege voor zijn verongelukte broertje. Diezelfde dag verloor Géminiani 7 minuten op Koblet, het einde van zijn aspiraties op geel. Twee dagen later in een mega tijdrit van 97 km naar Genève, gaf Koblet zijn thuisfans reden tot juichen met een eclatante overwinning. De eindzege kon hem toen eigenlijk niet meer ontgaan.
In die tijdrit was de grote Gino Bartali 8 minuten vóór Koblet gestart. Toen de Zwitser hem inhaalde, plaatste hij zijn bidon in de houder van Bartali met de woorden: “Alsjeblieft, Gino. Er zit nog wat in.” Dit volgens de website BikeRaceInfo.
Dit was natuurlijk zijn zoete wraak voor een incident eerder in de koers, toen een naar water snakkende Koblet aan Bartali had gevraagd om wat water uit zijn bidon. Bartali keek hem strak in de ogen, nam een slokje, en goot het restant kalmpjes uit over de weg,
Twee dagen later reed Koblet Parijs binnen en was hij de tweede Zwitser in twee jaar tijd die de Tour won. Géminiani had de Bolletjestrui. Hij grapte, verwijzend naar het Zwitserse tenue: “Jaag op zo’n wit kruis in het rood, en dikke kans dat je eindigt bij het Rode Kruis in het wit.”
Koblet’s ontembaarheid was zo groot, dat de Fransman de eigenlijke overwinning opeiste. Toen hem werd gevraagd hoe hij dat bedoelde, zei hij: “Koblet telt niet. Ik ben de eerste mens.”

KOBLET KAM

De Tourdebutant streek natuurlijk heel wat franken op met vier etappezeges en de eindoverwinning, maar daar bleef het niet bij. Een Italiaanse zakenman drukte hem na de huldiging een cheque in de vingers: 1 miljoen lire voor het naamrecht op een speciale ‘Koblet kam’.
De Pédaleur de Charme was niet de enige die munt sloeg uit deze Tour dankzij zijn reputatie. Van Ests spectaculaire val van de Aubisque had in alle kranten gestaan en hij werd een soort volksheld. Toen ze door kregen dat De Knoest een Pontiac horloge droeg, profiteerde dit Belgische merk van Pirons iconische foto van de huilende Van Est op de rand van het ravijn. Een pijl wees naar de linkerpols met de Pontiac met de tekst:
Zeventig meter viel ik diep, mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac liep.
Het was het begin van een langdurige sponsoring en een innovatieve reclamecampagne met de nationale ploeg, die het jaar erna terugkwam met twee etappezeges.
De Ronde van Frankrijk van 1953 werd een enorm Nederlands succes. Van Est, die nu het nieuwste Pontiac model – Le Maillot Jaune – promootte, won de etappe naar Monaco, waarna zijn vriend Wout Wagtmans de volgende twee etappes op zijn naam schreef. De nationale ploeg pakte niet alleen 4 etappezeges, maar won ook het ploegenklassement. De Tourkoorts steeg in Nederland naar ongekende hoogte.
In 1954 pakten de beide Brabantse vrienden weer hun etappes. Dit keer was het de olijke en zeer populaire Wagtmans die het geel veroverde na een overwinning in de openingsetappe van Amsterdam via hun West-Brabantse geboortegrond naar het Belgische Brasschaat, vlak over de grens. Hij droeg de leiderstrui 3 dagen. Na een korte ploegentijdrit – etappe 4a - moest hij die afstaan aan latere eindwinnaar Louison Bobet. Zijn vriend Wimme verzachtte de pijn door die middag etappe 4b te winnen. Het geel werd terugveroverd door Wagtmans in etappe 8, maar toen in etappe 12 het hooggebergte opdoemde was hij het ook snel weer kwijt.
Winnen in Bordeaux is een soort Nederlandse traditie. Na Hans Dekkers in 1952 en Jan Nolten in 1953, was nu, in 1954, de beurt aan Amsterdammer Henk Faanhof. Om het rijtje af te maken: Wout Wagtmans (1955), Jo de Roo (1965), Gerben Karstens (1976), Cees Priem (1980), Bert Oosterbosch (1983), Jan Raas (1984), Rob Harmeling (1992), Jean-Paul van Poppel (1998), Servais Knaven (2003).
Het volgende jaar In 1955 wonnen de Nederlanders zelfs de ploegentijdrit, etappe 1b, zodat Wagtmans voor de derde keer het geel mocht dragen. In de resterende vijftiger jaren is de trui wederom een prooi geweest voor Van Est (tweemaal), Gerrit Voorting (tweemaal) en Wagtmans. Men kan echt spreken van een gouden periode voor het Nederlandse wielrennen.

SUCCESNUMMER

Het succes van Wagtmans en Van Est gaf alle aanleiding tot een eigen lied getiteld Tour de France - compleet met een monter slagwerkje en accordeon - dat zij in 1958 hebben opgenomen. De tekst is van Gerrit den Braber en het refrein luidt als volgt:
Tour-tour-tour, de Tour de Frans
Wie rijdt er dit jaar in de lauwerkrans
Wie zit er aan de kop?
Wie hangt er aan de staart?
Zet ‘m even op,
Die gele trui, die is ’t waard.
Het couplet van De Knoest met zijn onuitroeibare Brabantse tongval luidde:
Zo val je in het ravijn
Verrek je van de pijn.
En met een lekke band
Dan sta je langs de kant.
Maar gaan de benen rap
Dan win je een etap
Dan vlieg je zonder pech
Als koning van de weg.

ROZE TRUI

Van Est reed de Tour tussen 1951 en 1961 negen keer. Zijn beste eindresultaat was plek 8 in 1957, het jaar dat Anquetil de eerste van zijn vijf Tourzeges veroverde. Op de baan heeft hij drie WK-medailles op de achtervolging behaald, naast vier nationale titels. De monsterrit Bordeaux-Parijs heeft hij in totaal 3 keer gewonnen, in 1950, 1951 en 1961. De Nederlandse wegtitel was voor hem in 1956 en ’57.
Door winst in de openingsetappe van de Giro van 1953 werd hij ook de eerste Nederlandse drager van de roze trui. Vijf weken eerder was hij de eerste Nederlander die de Ronde van Vlaanderen als snelste voltooide. IJzeren Willem ging met pensioen in 1964 na zijn tweede optreden in de Vuelta. Hij was toen 41 jaar. Daarna werkte hij als onderaannemer bij de aanleg van spoordijken en ondergrondse kabels. Dat hield hij 18 jaar vol. Hij is blijven fietsen tot ver in de 70.
Hugo Koblet heeft nooit meer een Tour gewonnen. Zwitserland heeft, net als op de spreekwoordelijke bus, bijna een halve eeuw moeten wachten, totdat er ineens twee vlak na elkaar kwamen. Sindsdien staan ze droog. Alex Zülle en Tony Rominger brachten het beiden tot een tweede tree op het podium, maar naast Kübler en Koblet telt dat nauwelijks.
Na zijn Tourwinst in 1951 speelde Koblet met het idee een film te maken in Italië. Maar een uitnodiging voor de Ronde van Mexico voor amateurs bracht hem naar Midden-Amerika. Daar liep hij een ziekte op die hem long- en nierproblemen gaf die hem de rest van zijn carrière achtervolgden. Hij heeft nooit meer zo dominant gekoerst als toen, in Juli 1951.
Jean Bobet, de broer van drievoudig Tourwinnaar Louison, zei dat Koblet het eerst moeilijk kreeg op bergen boven de 2,000 meter, daarna op die van boven de 1,500 meter, daarna op 1,000 meter, totdat "we hem nauwelijks over de laagste heuvels zagen komen".
Niet dat winst hem niet meer gegeven was. Koblet won een tweede Ronde van Romandië en tweemaal de Ronde van Zwitserland, met etappezeges in die koersen, maar ook in de Giro en de Vuelta. Maar er was iets veranderd en een Tour de France heeft hij niet meer uitgereden.

BEROOID EN ALLEEN

De Pédaleur de Charme had zijn vermogen verloren, ergens op de Atlantische Oceaan tussen Mexico en Europa. Zijn plotselinge vormverlies was één van de grote wielermysteries. Toen zijn haar begon te dunnen, had hij de kam niet meer nodig, hoewel hij nu 7 miljoen lire incasseerde om die te promoten. Hij verloor niet alleen zijn ‘looks’, maar ook zijn moraal.
In 1953 was hij getrouwd met het 22-jarige model Sonja Buhl. Koblet stopte met fietsen in 1957 en vertrok naar Argentinië in dienst van Pirelli en Alfa Romeo. Toen was het al geen koek en ei meer met zijn Sonja. Hij werd geplaagd door heimwee, smeet met geld en keerde terug naar zijn vaderland. Zijn huwelijk stond op springen.
In 1964 wees Sonja een verzoening af en Koblet, nu zwaar in de schulden, raakte in een neerwaartse spiraal. Later dat jaar kwam hij om. Met een vaart van 120km per uur knalde hij in zijn witte Alfa tegen een boom. Zelfmoord, moeten we aannemen. De arts die de overlijdensakte tekende vulde Kübler in als naam op het formulier, een wrede ironie.
Sonja weigerde de nalatenschap van haar echtgenoot. Die bestond louter uit schulden en onbetaalde belastingaanslagen. Hoe kan een sporter met zoveel charme en elegantie zo eindigen?

VALPARTIJEN

Vanwege een blessure had Koblet de Tour van 1952 aan zich voorbij laten gaan, maar hij nam wel deel in 1953. In de afdaling van de Soulor, het tweelingzusje van de Aubisque, kwam hij tweemaal ten val. Bij de tweede keer slipte hij, raakte een pylon met 70 per uur en werd met een aantal gebroken ribben naar een ziekenhuis vervoerd op de achterbank van een auto.
Een 20-jarige Franse debutant Guy Buchaille verloor de controle over zijn stuur in de afdaling van de Aubisque en tuimelde 35 meter het ravijn in, zeer vergelijkbaar met wat Van Est was overkomen. De fiets werd 150 meter verder naar beneden gevonden, terwijl Buchaille zelf – aanvankelijk dacht men dat hij dood was – het leven te danken had aan een bed van mos en varens, waarop hij uiteindelijk was beland.
Als gevolg van het ongeluk van Van Est waren alle volgauto’s voorzien van een veiligheidsset waaronder een lang touw. Buchaille werd omhoog gehesen en kreeg groen licht om door te gaan, hoewel hij twee keer flauw viel. Later moest hij toch opgeven.
Een halve eeuw na zijn spectaculaire val werd de betekenis van Van Ests flirt met de dood onderstreept door de Tourorganisatie met een monument op de plek waar de Brabander van de weg was gekatapulteerd. Op de tweede rustdag van de Tour van 2001 bezocht hij deze plek, samen met Rini Wagtmans, neef van zijn oude makker en zangpartner Wout, die toen al jaren dood was. Ook aanwezig was Roger Decock, de Vlaming die indertijd was gestopt om alarm te slaan.
In een emotionele scène, te zien op Youtube, moet Wim van Est een traantje wegpinken als de plaquette onthuld wordt. De tekst, in het Nederlands en het Frans, is: Hier viel tijdens de Tour de France op 17 juli 1951 Wim van Est 70 meter diep. Hij overleefde de val, maar hij verloor de Gele Trui. Wim van Est was de eerste Nederlandse drager van de Gele Trui in de Tour de France.

‘WE ZIJN ER NOG’

Verwijzend naar zijn bijna dodelijke val die dag, zei de Beul van ‘t Heike, zijn grijze haar onberispelijk gekamd: “Mannen, we zijn er nog, we zijn er nog. Waaraan heb ik dat verdiend? Hoeveel mensen uit die tijd zijn er niet meer …?”
Rini Wagtmans omhelst de oude man en geeft hem een zakdoekje. “Wim, wees nou maar blij”, zegt hij.
“Ja, Rini, we zijn er nog”, antwoordt Van Est.
Dan trekt Wagtmans Decock naar voren met de woorden: “Als deze meneer niet had gedacht als een mens, maar als een renner, dan zou Wim daar die avond nog gelegen hebben.”
Van Est steekt een sigaret op, een gewoonte sinds zijn dagen als smokkelaar. “Koud hier, jongens.” Hij neemt een trek, de mouw van zijn jasje kruipt op, zodat zijn Pontiac zichtbaar wordt. “Nog steeds dezelfde”, grijnst de oude man.
“Hij was de Johan Cruyff van het wielrennen,” zegt Wagtmans over zijn beste vriend. Hij vergelijkt hem ook met voetballer Abe Lenstra en atlete Fanny Blankers-Koen. “Die hebben standbeelden en worden overladen met roem en eer. Stadions en straten zijn naar hen genoemd, en terecht, maar voor onze Wimme, niets!”
Tijdens de navrante ceremonie, zegt Karel Hubert, directeur van de stichting die het gedenkteken coördineert: “Daar, in dat ravijn, ligt het begin van de Nederlandse Tourgeschiedenis.”

VAN JANSEN EN ZOETEMELK TOT MATHIEU VAN DER POEL

Een volgend hoofdstuk in dat geschiedenisboek werd geschreven in 1968, toen Jan Jansen als eerste Nederlander de Ronde van Frankrijk won. Joop Zoetemelk volgde in 1980. Daar hield het mee op. Toen Mike Teunissen zo verrassend de openingsetappe won in 2019 was het 30 jaar geleden dat een Nederlander geel had gedragen. Vorig jaar was Mathieu van der Poel de 18de Nederlander die na Van Est het geel mocht aantrekken, de laatste van het lijstje, waarop ook de naam van Rini Wagtmans, neef van Oom Wout, prijkt.
Twee jaar na de onthulling van de plaquette op de Aubisque, niet lang na zijn 80ste verjaardag, stierf Wim van Est, de pionier die de Nederlandse wielergeschiedenis opende en daarvoor op een haar na de ultieme prijs betaalde. De verwrongen resten van zijn fiets staan tentoongesteld in het Nationaal Fietsmuseum Velorama in Nijmegen.
Kroonieken is een podcast van Eurosport – geschreven door Felix Lowe, vertaald door mijn vader Toon en verteld door mij, Karsten Kroon. Eindredactie is van Sander Grasman en de productie door Fabian Kollau. Meer stukjes wielerhistorie door Felix zijn te vinden op Twitter via @SaddleBlaze. Als je mij wilt volgen kan dat via @karstenkroon op Twitter. Eurosport volg je via @Eurosport_NL. Bovendien vind je ons op Instagram en Facebook.
Wielrennen
Wielrennen | Milan Vader sluit horrorjaar af - "Laatste herinnering is een paar dagen voor de val"
26/11/2022 OM 11:31
Wielrennen
Wielrennen | Van Aert wil Van der Poel achterna en ziet deelname aan WK gravel zitten
24/11/2022 OM 14:13