Luister hier de podcast:
1956 was een rampjaar voor Il Campionissimo. Ziekte frustreerde zijn seizoensstart en kostte hem zijn plaats in team Bianchi. Een nieuwe ploeg, Carpano, werd in elkaar geflanst, maar toen crashte hij uit de Giro en mocht twee maanden toekijken. Ook op de WK in Kopenhagen kwam hij er niet aan te pas en moest hij het doen met een povere 15de plaats.
Wielrennen
Vuelta España Femenina | Vuelta voor vrouwen evolueert, nieuwe naam en twee extra etappes
GISTEREN OM 11:14

ZWANENZANG

Slechts één schamele overwinning – de GP Lugano in Zwitserland – prijkte er dat jaar op erelijst, wat daarmee het minst succesvolle seizoen was van de inmiddels rijpende Italiaan sinds 1939, het jaar vóór zijn eerste Girowinst.
Maar met zijn lievelingskoers in het najaar in aantocht, hervond de 37-jarige legende zijn vorm. Hij had daar al getriomfeerd in 1946, 1947, 1948, 1949 en 1954. Driemaal had hij de dubbel Milaan-San Remo-Lombardije behaald. Hij was de eerste die deze dubbel én de Giro in 1 jaar op zijn naam schreef, een huzarenstukje dat sindsdien alleen nog door Eddy Merckx is geëvenaard.

Iconische foto van Fausto Coppi die een drinkbeker geeft aan rivaal Gino Bartali.

Foto: Eurosport

Allemaal mooi en prachtig, maar in Lombardije heeft hij ook een veelbesproken, pijnlijke nederlaag geleden. Nadat hij was ontsnapt met jonkie Diego Ronchini op de Madonna di Ghisallo, leek het zeker dat hij zijn indrukwekkende carrière ging afsluiten met een zesde zege.
Maar daar dacht een wraakzuchtige Fiorenzo Magni anders over. Coppi’s zinsbegoochelende maitresse – La Dama Bianca, de Witte Dame – had hem gekrenkt. Hij startte een ziedende jacht op zijn rivaal en dat leidde ertoe dat een Franse outsider de beroemde Italiaan een van diens donkerste dagen in zijn loopbaan bezorgde.

VIER HOOFDROLSPELERS

Dit verhaal kent vier hoofdrolspelers: aan de ene kant de twee Italiaanse veteranen, aan de andere kant de Bianchi ploegmaats Ronchini en André Darrigade, beiden aan het begin van een carrière en een decennium jonger dan hun meer gerijpte tegenspelers.
Darrigade was al redelijk droog achter de oren aan de start in Milaan van de 50ste – zijn eerste – Ronde van Lombardije. Hij was 27, was afkomstig uit Les Landes, zuidwest Frankrijk, had al drie Touretappes op zijn naam staan en had Louison Bobet geklopt op de Nationale Kampioenschappen het jaar ervoor, in 1955.
‘De Jachthond van Les Landes’, een bijnaam die hij dankte aan zijn rappe sprint, was eind jaren ’40 verhuisd naar Parijs en had daar naam gemaakt als baanrenner. De Frans-Amerikaanse journalist René de Latour zei over hem: “André Darrigade is zwaar gebouwd en zou een heel goede middenvoor geweest zijn. Hij is blond, heeft heldere ogen, blozende wangen, en is een beetje verlegen. Toen we hem vlak na de oorlog zagen in Parijs, was hij een beginneling, absoluut geen rouleur. Hij was eenzaam, maar was moedig.”
Nadat hij zich had bewezen op de beroemde Vélodrôme d’Hiver, werd Darrigade onder de vleugels genomen door voormalig renner-nu-ploegbaas Francis Pélissier. In 1951 trad hij toe tot de rangen der profs tegen een zo mager salaris dat de schoorsteen nog maar net bleef roken. Hij zou zich ontwikkelen tot één van Frankrijks wielersterren.
Volgens zijn tijdgenoot en collega Raphael Geminiani was Darrigade “één van Frankrijks grootste sprinters ooit. En hij zal dat voorlopig blijven. Hij was niet alleen sprinter, hij was een ‘animateur’ die beslissende ontsnappingen initieerde. Hij maakte korte metten met het imago van de sprinter als wieltjesplakker.”
Na vijf jaar bij de ploeg Perle-Hutchinson, werd Darrigade opgepikt door Bianchi van Fausto Coppi – op aanbeveling van de grote man zelf – als concurrent van de rappe Italiaanse sprinter Nino Defilippis in de Italiaanse klassiekers.

COPPI EN BIANCHI

Bij Bianchi trof Darrigade Diego Ronchini uit Imola. Deze jongeman van 21 gold als de rijzende ster in het Italiaanse wielrennen. Hij werd bij de ploeg gehaald na winst in de Piccolo Giro di Lombardia voor amateurs in 1955. De Lombardia van de grote jongens was zijn eerste profkoers. Een week eerder had hij de Pirelli Grand Prix voor amateurs gewonnen. Hij was ontsnapt op de Ghisallo, had zijn medevluchter overboord gekieperd en quasi-routineus gewonnen op de Vigorelli-wielerbaan.
Dit Bianchi team was niet langer het thuis van vijfvoudig Girowinnaar Coppi. Il Campionissimo had in 1955, in de herfst van zijn carrière, een opleving gekend: Hij werd tweede in de Giro - 13 seconden achter Magni - en was voor de vierde keer nationaal kampioen geworden, maar 1956 was voor de Italiaan het lastigste jaar uit zijn loopbaan.

Fausto Coppi is een van de meest iconische renners uit de wielerhistorie

Foto: Getty Images

Zijn misère was niet alleen te wijten aan een tyfusaanval in dat voorjaar, maar ook door een in de pers breed uitgemeten buitenechtelijke affaire met de vrouw van een bewonderaar, die de harde kern van katholiek Italië hevig beroerde en de loyaliteit van vele deugdzame Coppi-fans op de proef stelde.
Die tyfus had ervoor gezorgd dat hij niet kon koersen in het vroege voorjaar. Dat betekende contractbreuk, en sponsor Bianchi was niet geneigd tot coulance met de man die het jaar ervoor een nationaal schandaal had veroorzaakt en wees hem de deur. Hij sloeg terug. Hij vond een nieuwe sponsor, Vermouth-fabrikant Carpano, en startte een eigen ploeg met Fausto Coppi-fietsen.
De start bij Carpano was niet slecht met de winst in de GP Lugano, maar toen crashte Coppi uit de Giro, en een ontzette rug kostte hem twee maanden. Eenmaal terug in het zadel, miste hij het beslissende moment op de WK, een zoveelste teleurstelling.
In Lombardije moesten de meubelen gered worden. Winst hier was al vijf keer als kers op een glanzende seizoens-taart gedrukt. Nu, na een rampzalig seizoen, ontbrak de taart. Een ongeëvenaarde zesde zege moest alles goedmaken. Hij was inmiddels 37 en rond het Comomeer zou zijn zwanenzang klinken.

Fiorenzo Magni kletst met Mario Baroni bij de start van een Touretappe.

Foto: Getty Images

FIORENZO MAGNI

Maar de absolute hoofdrol in deze tragedie is misschien wel voor Fiorenzo Magni, de stoere Italiaan met het kalende hoofd. In de gouden eeuw van het Italiaanse wielrennen was hij het derde wiel, in de schaduw van illustere idolen als Coppi en Bartali. En toch, deze figuur uit Monza was drievoudig Giro-winnaar, drievoudig winnaar van de Ronde van Vlaanderen en drievoudig kampioen van zijn land.
Magni – bijgenaamd de Leeuw van Vlaanderen dankzij die drie zeges in het Vlaamse heuvelland – wordt toch hoofdzakelijk herinnerd als de oermens die tijdens een Giro een binnenband om zijn stuur bond, die tussen de tanden nam en op die manier beter kon sturen en de pijn verbijten van een gebroken sleutelbeen.
Dit memorabele staaltje moed had eerder dat jaar plaatsgevonden. Hij was hard ten val gekomen in de twaalfde etappe naar Livorno in de afdaling van de Volterra. Hij ploeterde door tot en met de streep en kreeg de volgende dag, een rustdag, te horen van zijn dokter dat hij maar beter kon opgeven.
Maar Magni besloot af te wachten hoe zijn schouder zich na de rustdag zou houdenin de tijdrit van 54 km, die zou finishen na een wrede klim naar de Basilica San Luca hoog boven Bologna. Op deze helling van 16% zijn die legendarische foto’s genomen van deze 36-jarige knoest met dat rubber tussen de tanden.
Magni doorstond die dag, en hoewel hij nog een keer viel en zijn blessure nog verergerde, volbracht hij deze Giro als tweede achter de Luxemburgse winnaar Charly Gaul. Hij mag dan drie keer de Giro gewonnen hebben, deze tweede plaats bezorgde hem de status van nationale held.

IN DE SCHADUW VAN DE GROTE TWEE

In de woorden van rivaal Raphael Geminiani: “Die kerel heeft de subtiliteit van een hakbijl bij alles wat zijn pad kruist”.
De kranten mochten vol staan met zijn rechtse sympathieën – in 1943 werd hij lid van Mussolini’s Nationale Fascistische Partij - , iets wat hem allerminst geliefd maakte in het naoorlogse Italië, zijn moed en doortastendheid werden door niemand betwist.
Dankzij dit verleden was hij een gemakkelijk doelwit in een diep-verdeelde natie. Als we puur letten op zijn prestaties in het zadel, verdient hij minstens dezelfde status als Coppi en Bartali.
Het imago van Bartali was dat van het landelijke vooroorlogse Italië. Misschien niet zo gepolijst, maar wel sympathiek en betrouwbaar. Coppi was dan meer de playboy, heel Italië zag hem als het boegbeeld van het cyclisme. Maar bij Magni doemt het beeld op van een grommende lomperik. Als hij won had hij dat te danken aan pure wilskracht, niet aan een aangeboren talent, wat hij toch wel gehad moet hebben.
Wat hij nou echt zag in het fascisme is niet zo duidelijk, maar dat geldt niet voor zijn standpunt inzake Coppi’s affaire met La Dama Bianca.
Resteert nog één acteur, één wiens rol minstens zo wezenlijk was, de Dame in het Wit.

LA DAMA BIANCA

Giulia Occhini was de echtgenote van één van Coppi’s fanatiekste fans, Dr Enrico Locatelli. Toen Coppi de Tre Valli Varesine won in 1948, droeg deze Locatelli zijn vrouw op de handtekening van zijn idool los te peuteren, waarschijnlijk vanuit de gedachte dat dat verzoek meer kans had uit de mond van een zwartharige schoonheid.

Fausto Coppi en Giulia Occhini poseren gezamenlijk in 1954

Foto: Getty Images

De handtekening werd gegeven, maar het contact leidde al snel tot een heimelijke affaire. Giulia liet zich zien bij een flink aantal koersen van Coppi. De bekendste was die op de Stelvio in de op een na laatste etappe van de Giro van 1953. Hier rukte Coppi het roze van de charmante schouders van Hugo Koblet. Datzelfde jaar gingen ze samen op vakantie op Capri.
Een journalist spotte Coppi met een betoverende dame in een opvallende sneeuwwitte duffelse jas in Sankt Moritz tijdens de Giro van 1954 en schreef: “we zouden wel meer willen weten over deze dame in het wit naast Fausto Coppi.” Vanaf toen was deze mevrouw bekend als ‘La Dama Bianca’.
Hun relatie was een enorm schandaal, want ze waren beide getrouwd en hadden kinderen, maar ze maakten geen geheim van hun buitenechtelijke verhouding. Scheiden was toen nog onmogelijk en overspel was een vergrijp in de ogen van de wet en de toenmalige puriteinse en repressieve maatschappij.
Veel van Coppi’s fans keerden zich van hem af en Occhini betaalde voor haar misstap met een openbare veroordeling door Paus Pius XII.

SCHEIDING

Coppi verliet dochter Marina en zijn vrouw Bruna Ciampolini, met wie hij negen jaar eerder was getrouwd na zijn terugkeer uit de oorlog. Hij trok in bij Occhini, die ook haar man en twee zoontjes had verlaten. Toen de bedrogen echtgenoot Locatelli zijn vrouw aanklaagde wegens overspel, escaleerde de toestand. Zij kreeg een maand gevangenisstraf opgelegd en een periode van huisarrest in Ancona. Coppi’s paspoort werd ingenomen, zodat hij niet buiten Italië kon koersen.

Fausto Coppi met zijn echtgenote Bruna Ciampolini.

Foto: Getty Images

Ondanks deze obstakels raakte Giulia zwanger. Zodra Fausto zijn paspoort terug had, reisde het stel naar Mexico waar ze trouwden. Dit huwelijk is in Italië nooit erkend. In mei 1955 beviel Giulia in Argentinië van een zoon, Angelo Fausto Coppi, roepnaam Faustino.
Een absurde kronkel in de wet betekende dat Faustino de achternaam van zijn moeder moest dragen tot eind zestiger jaren.
Ze keerden terug naar Italië en woonden samen in een weelderige villa bij Novi Ligure, waar Giulia, die wel gewend was aan overdaad, de luxe parafernalia genoot van een vorstin. Ondanks het klimmen der jaren zag Coppi zich genoodzaakt steeds meer te koersen om het geld te verdienen dat zijn gade vervolgens over de balk kon gooien.
Dit had niet alleen gevolgen voor zijn prestaties, het kostte Coppi ook het respect van vele fans en collega’s, onder wie Magni. Magni was van de oude tempel en hield vriendschappelijk contact met Bruna, Coppi’s ex. Hij had begrip voor Coppi’s beslissing haar te verlaten, maar heeft die nooit willen goedkeuren.
Magni’s verachting van Giulia en zijn onvermogen die te verbergen bepaalde mede de achtergrond van Coppi’s laatste profkoers: de Ronde van Lombardije 1956

IL LOMBARDIA VAN '56

Zware regenval was voor 30 coureurs aanleiding niet aan de start te verschijnen. Er gebeurde weinig in de beginkilometers richting Comomeer en de uitlopers van de Alpen. Zoals gebruikelijk werd in De Koers van de vallende bladeren het vuur aan de lont gestoken op de klim naar Madonna del Ghisallo, waar de sprinter Nino Defilippis een vroege ontsnapping waagde.
Deze Monte Ghisallo begint aan de oevers van het Comomeer en slingert zich 8 km omhoog naar een kapel die nu een wielerheiligdom is. Deze klim was al die vijf keren Coppi’s lanceerpodium geweest vanwaar hij aanviel richting de zege. En dat was nu weer zijn bedoeling.
De finish was op de wielerbaan Vigorelli in Milaan. Daar wachtte een grote menigte wielerfans op de terugkeer van hun helden. Televisie bestond nog nauwelijks in die dagen. Speaker Carlo Proserpio gaf daar de laatste nieuwtjes uit de koers door. Eerst noemde hij de namen van Louison Bobet en Diego Ronchini, toen die bij koploper Defilippis kwamen. Op het moment dat hij daar even later de naam Fausto Coppi aan toevoegde, steeg er een enorm gebrul op.
Weer even later somde hij de namen op van de renners die boven kwamen op de Monte Ghisallo. “Als eerste, en alleen, passeert Diego Ronchini.” Applaus klonk voor deze jonge gast die welbekend was in Milaan vanwege zijn prestaties op de Vigorelli.
“Zes, zeven seconden na hem, is daar… lange pauze … Fausto Coppi!”. Dit bericht was aanleiding voor een onbeschrijfelijk hels kabaal. Bobet leidde de jacht op een paar seconden, terwijl een groepje met onder anderen Magni passeerden op 1’10’’
Na een korte onderbreking kondigde Proserpio aan: “In de afdaling naar Asso heeft Coppi Ronchini bijgehaald en het duo vergroot de voorsprong op de jagers.” De ‘Coppiani’ en de ‘Ronchiniani’ gingen uit hun dak.

TACTISCH SPEL

Maar niet alles was koek en ei tussen de twee leiders. Tussen de Ghisallo en de Vigorelli-baan in Milaan lagen nog zo’n 60 redelijk vlakke kilometers. Ronchini liet de gereputeerde veteraan het leeuwendeel van de arbeid verrichten, uiteraard in opdracht van zijn ploeg Bianchi. Niet alleen zou hij meer kans maken op de zege tegen een uitgeputte Coppi, maar mochten de twee worden teruggepakt, zou zijn rappe ploeggenoot André Darrigade de beste papieren hebben in de sprint.
Het gat groeide tot 3 minuten. Het leek erop dat Bianchi alle vertrouwen had in Ronchini, best een gedurfde gok gezien de status van Coppi.
Met nog 60 km te gaan was Magni gelost en zou dus prima op zijn gemak naar Milaan hebben kunnen uitbollen, ware het niet dat een auto hem passeerde met daarin Giulia Occhini.

Giulia Occhini en Fausto Coppi worden door de paparazzi op de huid gezeten.

Foto: Getty Images

Magni was niet zo vreselijk geïnteresseerd in de winst in deze najaarskoers, ook al was hij in 1954 nog tweede geworden achter Coppi. Buiten de koers konden Coppi en Magni redelijk goed door één deur. En hoewel ze rivalen waren in de koers, hadden ze heel fatsoenlijk samengewerkt in de Giro van 1955, toen Magni Coppi de winst gunde in de voorlaatste etappe naar San Pellegrino en zelf het roze greep ten koste van Gastone Nencini.
Tussen de twee renners zat het wel snor, maar het was geen geheim dat Magni een hekel had aan Giulia en vice versa. Toen de auto hem passeerde kort na de top van de Ghisallo, had Magni het gevoel dat Giulia hem uitlachte. Sterker nog, hij zag haar uit het raam hangen en het klassieke obscene armgebaar maken. Dit zou dan gepaard zijn gegaan met een hatelijke kreet: “Fausto is de beste!”.
En wat zei Andrea Carrea, een voormalige trouwe knecht van Coppi? “Toen ze bij Magni kwam deed ze dit – hij maakte het grove gebaar met de linkerhand om de biceps van de gekromde rechterarm – en Magni ontplofte!” Naar verluidt, zwoer de Italiaanse Leeuw van Vlaanderen dat hij op Coppi zou jagen tot in Novi Ligure al kostte het hem een gebarsten long. Later zei hij dat deze vernedering een sterkere stimulans was dan amfetamine. “Ik zette mijn tanden in het stuur zo hard dat ik elk gevoel van leven kwijt was.”
Dat deze woorden kwamen uit de mond van de man die om te overleven zijn tanden had gezet in een binnenband, maakt het effect ervan nog tastbaarder.

DE ACHTERVOLGING WORDT INGEZET

En Magni stoof ervandoor, ziedend. Gedreven door razernij, coördineerde hij de achtervolging. Er ontstond een groep van 16 renners en het gat werd kleiner. Op de wielerbaan verkondigde Proserpio dit bericht. “De voorsprong van Coppi-Ronchini slinkt. De achtervolgers hebben zich georganiseerd.”
Met nog zo’n 12 km te gaan voegde hij eraan toe: “Coppi en Ronchini zijn net de Ghisolfabrug gepasseerd en – lange pauze – ze zijn bijgehaald door de jachtgroep. Er zijn nu 18 man aan de leiding.” Een hartgrondig ‘neeee’ schalde over de tribunes.
Ronchini zag zijn kans op eeuwige roem in zijn eerste Lombardije in rook opgaan, maar Bianchi had nog een troefkaart in hun Franse spurter André Darrigade.
In de groep-Magni was deze windhond van Les Landes één van de 16 achtervolgers die de aansluiting gemaakt hadden. De spanningen liepen hoog op, vooral tussen Magni en Coppi die onderling ruzie maakten op weg naar de wielerbaan waar Coppi in 1942 een werelduurrecord had gevestigd terwijl de bommen op Milaan vielen.
Hoewel hij uitgeput door jachtige inspanning, koesterde een herboren Magni een sprankje hoop op een prachtig afscheid uit de wielersport. Hij had de Ronde van Lazio gewonnen én de Gran Piemonte in de aanloop naar Lombardije. Dit was dé kans op een fameuze hattrick. Zestig kilometer eerder, op de Ghisallo, had het er heel anders uitgezien.
Maar Coppi voelde zich nog lang niet uitgeteld. De Vigorelli-baan was het tweede thuis voor de rijpe kampioen en hij wilde per se een zesde Lombardia-streepje kerven in een paal van het hemelbed dat hij deelde met de Dame in het Wit.

Fausto Coppi wint Milaan-San Remo in 1949.

Foto: Getty Images

Met een vroege en besliste demarrage, spurtte Coppi op het laatste rechte stuk voorbij Magni. De laatste vlucht van de Reiger leek perfect, maar het was Dédé Darrigade die de campionissimo zou kortwieken.
Niemand gaf een cent voor de kansen van de Fransman toen hij de wielerbaan opreed. Hij zat ingesloten op plaats acht. Maar hij was gereputeerd om zijn lang-volgehouden sprints. Helemaal van achteruit passeerde hij figuren als Bobet en de Belgen Rik van Looy – later gediskwalificeerd – en Alfred de Bruyne. Het leek alsof het een één-tweetje zou worden tussen twee oude Italianen, maar Darrigade voltooide zijn Titaneninspanning door eerst Magni voorbij te scheuren en toen in de allerlaatste meter Coppi. Was op dat moment de Reiger maar een Pelikaan!

VERDRIET IS GROOT

Totaal ontgoocheld parkeerde Coppi zijn fiets op het binnenterrein. De ongelovige massa barstte uit in een luid boegeroep toen Darrigade, in het turquoise van Bianchi waarin Coppi zo vaak had getriomfeerd, triomfantelijk met de armen zwaaiend omhoog fietste.
Magni was ondertussen als derde de streep gepasseerd met een zelfvoldane grijns op het getaande gezicht. De zogenoemde Derde Man was erin geslaagd wat hij, twee uur eerder, had besloten te doen, toen hij zo ongeveer ontmand was door de maitresse van zijn aartsrivaal.
Met een bandbreedte-verschil was in Campionissimo de gedroomde zesde zege ontnomen. Coppi’s wilde aanvankelijk meteen de winnaar geluk wensen, maar de duizenden Tifosi waren losgebarsten in een juichende staande ovatie voor hem, en de 37-jarige veteraan verviel tot een wenend wrak, zoals voor eeuwig vastgelegd door fotografen.
Op korte afstand van de huilende Coppi stond Pinalla De Grandi, vroeger zijn mekanieker bij Bianchi. Terwijl deze de fiets van Darrigade wegreed, was duidelijk dat hij met de situatie geen raad wist: de winst vieren van zijn ploeg of treuren om de nederlaag van zijn oude kameraad met wie hij 10 jaar lang lief en leed had gedeeld.
Coppi worstelde ondertussen met het onsmakelijke gevoel dat Bianchi, de ploeg waarmee hij zolang een innige relatie had gehad, hem nu zo had geflikt. Sprinter Darrigade was nota bene door Coppi zelf bij de ploeg gehaald voor hemzelf de deur gewezen werd, terwijl ploegbaas De Grande Ronchini had opgedragen niet langer met Coppi samen te werken in de ontsnapping.
Omdat hij zich dit alles intens realiseerde, was Coppi ontroostbaar. Magni kwam naar hem toe. Wat hij zei was niet echt troostrijk. “Als die vrouw van jou zich niet zo stuitend had gedragen, was ik niet zo achter je aan gegaan. En dan had die Fransoos jou niet geklopt, of wel dan?”

VERRAST DOOR DE FRANSMAN

In zijn hotel, een uur later, deed Coppi eindelijk zijn verhaal. “Op mijn woord van eer, vandaag dacht ik echt dat ik veel sprinters van naam kon kloppen. Als ik dat gevoel niet had gehad, zou ik nooit in die positie de piste zijn opgereden.”
Hij gaf met een zekere mate van zelfspot toe dat hij een noodlottige vergissing had begaan in de euforie van een zo nabije zesde zege.
“Ik zag Darrigade niet van rechts zien komen. Anders had ik wel een elleboog uitgestoken zodat hij minder makkelijk kon passeren. Dat is wat je normaal doet in zo’n situatie op de baan. De overwinning zou zo veel hebben betekend voor mij op mijn leeftijd.”
De perswereld was ook in mineur over wat zich had afgespeeld. La Gazzetta dello Sport kopte de volgende dag: ”Het Lot van Coppi heet Darrigade.” Zelfs de Franse kranten voelden met de Italiaan mee. L’Equipe schreef: “Laten we eerlijk zijn. We vonden het allemaal heel treurig dat de achtervolgers Coppi te pakken kregen. Ieder van ons zei dat we hoopten dat hij zou winnen.”

NEERWAARTSE SPIRAAL

Niet te ontkennen valt dat Coppi’s carrière – gedeeltelijk dankzij Giulia, maar voornamelijk door zijn leeftijd – in een neerwaartse spiraal was beland sinds 1955. De overwinning op de Vigorelli zou de 37-jarige een laatste grootse triomf hebben bezorgd – maar misschien was het een brug te ver. Maar hoe dan ook, een bitterder resultaat is nauwelijks voorstelbaar.
Het gaat natuurlijk wel vaker niet zoals zou moeten. Neem bijvoorbeeld Tom Boonen en Roubaix.
Boonen was bezig aan zijn laatste seizoen. Hem werd in 2016 een ongeëvenaarde vijfde Parijs-Roubaix zege door de neus geboord – zeer nipt - door een redelijk anonieme Australiër, Mathew Hayman. En als Hayman ons applaus verdient voor de wijze waarop hij een script overhoop haalde, dan geldt dat ook voor Darrigade.

Hugo Koblet en Fausto Coppi kruisen de degens bergop.

Foto: Eurosport

Iedereen die Coppi én Magni verslaat in een Monument mag zich op de borst kloppen, want zo’n prestatie is niet gering, ook al had Coppi zijn beste jaren achter zich en was Magni totaal opgebrand na die lange achtervolging.
Dédé bleek geen eendagsvlieg te zijn. Hij zou 22 Touretappes winnen, inclusief een recordaantal van vijf overwinningen in openingsetappes, waardoor hij in totaal 19 dagen in het geel reed, en twee keer het puntenklassement won.
Een tweede Monument na Lombardije heeft hij nooit meer bemachtigd. Zijn beste resultaten waren een vierde plek in Parijs-Roubaix en een derde in Milaan-San Remo. Het hoogtepunt in zijn loopbaan was de regenboogtrui in 1959 in Zandvoort, waar hij zeven anderen vloerde in de eindsprint.

NARE BOTSING

Het jaar daarvoor was Darrigade betrokken bij een ijzingwekkend voorval toen hij in de laatste etappe van de Tour tegen Constant Wouters, de algemeen secretaris van de wielerbaan Parc des Princes knalde. De 70-jarige Wouters stapte zonder op te letten het parcours op tijdens de eindsprint. De klap was verschrikkelijk en beide heren vlogen de lucht in. Darrigade kon de koers afmaken en een ererondje rijden ondanks een gebarsten schedel en gebroken ribben. Wouters lag 12 dagen in een ziekenhuis en bezweek toen aan zijn verwondingen.
Na zijn pensionering in 1966 begon Darrigade een tijdschriftenwinkel in Biarritz. In het nabije Dax is een rugbystadion naar hem genoemd. De 93-jarige oud-renner leeft nog steeds en is een graag geziene gast in de Tour.
Diego Ronchini hoefde niet lang te wachten om te bewijzen dat hij beschikte over wat nodig was om de Vallende Bladeren te winnen. In 1957 – hij was 22 - won hij een driemans-sprint op dezelfde Vigorelli-piste. Twee jaar later eindigde hij als derde in de Ronde van Italië achter Charly Gaul en de grote Jacques Anquetil.

MURO DI SORMANO

In 1958 kreeg de Ghisallo een nieuw wegdek en er ontstond een volstrekt andere dynamiek. Het klimrecord werd met 2 minuten verbeterd.
Als reactie op de kritiek dat Lombardije makkelijker was gemaakt, werd in 1960 de nu beruchte Muro di Sormano geïntroduceerd. Dit geitenpad met percentages van gemiddeld 15% gaf aanleiding tot de volgende vooruitblik op de koers in La Stampa: “Morgen gaan we met zijn allen kijken naar het nationale geef-ze-een-zetjefestival.”

Fausto Coppi won alles wat er te winnen viel en gaf zijn land weer iets om trots op te zijn.

Foto: Twitter

Werd de koers daar nu zwaarder van? In feite werd de race nu geneutraliseerd totdat de Sormano bereikt werd. Dat de renners er net zo snel tegenop konden lopen als fietsen was één ding, maar Milaan lag nog zo ver weg, zo’n 60 km, dat geloste renners altijd wel konden terugkeren.
Anquetil suggereerde dat een finish in Como dit probleem zou oplossen. De organisatie had hier oren naar en de stad Como werd finishplaats tot 1984. Toch werd de Sormano al na drie keer geschrapt om pas terug te keren in 2012.
Peter Cossins, schrijver van het boek The Monuments, zei over de Koers van de Vallende Bladeren: “De Ronde van Lombardije wordt vaak gezien als minste van de vijf Monumenten en er zijn meerdere momenten geweest dat de koers die uitverkoren status had kunnen kwijtraken, maar toch is het met afstand de mooiste der Klassiekers en naar het oordeel van iemand als Bernard Hinault bovendien ook nog eens de zwaarste.”

MALARIA

Na zijn ontgoocheling reed Fausto Coppi nooit meer de Koers van de Vallende Bladeren, de rit die hij 5 keer gewonnen had. Hij bleef nog een jaar of drie doorfietsen, maar het enige Monument waaraan hij nog meedeed, was Parijs-Roubaix in 1959, die hij afsloot met een bescheiden 44ste plek, zeven minuten na de Belgische winnaar Noël Foré. Het laatste blad van een schitterende carrière was die dag op de Vigorelli van de boom gevallen.
Coppi noteerde nog slechts één zege in deze getroubleerde jaren, de Trofeo Baracchi in 1957, een koppeltijdrit met Ercole Baldini, de Italiaan die als amateur Anquetil’s uurrecord had verbeterd op de Vigorelli en die in 1962 als snelste ooit de Sormano opgestoven was, maar toch pas zevende werd in de einduitslag van wat vaak beschreven wordt als de zwaarste Lombardije ooit.
In zijn laatste Ronde van Italië finishte Coppi als 32ste; na 12 uitgereden deelnames was dit de eerste keer dat hij niet in de top 4 zat. In het laatste jaar van zijn carrière, toen hij tegen de 40 was, reed Coppi zijn eerste en laatste Vuelta. Hij gaf drie dagen vóór het einde op na slechts één top tien plek in een etappe.
Of hij als veertiger nog meer koersen zou hebben gereden zullen we nooit weten. In December 1959 werd Coppi met nog een serie andere grote namen onder wie Anquetil en Bobet door de president van Burkina Faso uitgenodigd om een koersje te doen met een paar lokalen en te jagen.
Geminiani én Coppi kregen malaria en werden ziek na thuiskomst. Geminiani herstelde, maar Coppi, bij wie een verkeerde diagnose werd gesteld, stierf op 2 januari 1960. Giulia Occhini overleed 33 jaar later na een auto-ongeluk vlakbij het landhuis in Novi Ligure dat ze had gedeeld met haar minnaar.

FEIT OF FICTIE?

Fiorenzo Magni heeft zowel Coppi als Bartali overleefd, het tweetal in wiens schaduw hij altijd vertoefd had. Hoewel hij Lombardije nooit gewonnen had, was hij betrokken bij het runnen van het adembenemende wielermuseum dat zetelt op de top van de Ghisallo met uitzicht op het zachtglanzende water van het Comomeer.
Magni zat in Monza ook in de autohandel en bleef daarin actief tot zijn dood in oktober 2012, op de respectabele leeftijd van 91. Een halve eeuw na zijn furieuze jacht op de kop in de 50ste uitgave van Lombardije, zei Magni tegen een journalist: “Ik weet niet of mijn actie de doorslag heeft gegeven.”
Het is goed te beseffen dat Giulia’s obscene gebaar en de respons van Magni pas vele jaren later aan het licht kwamen. Het incident werd pas vermeld na de publicatie van Gianni Brera’s boek ’Coppi e il Diavolo’ in 1981. Dit onthulde de schokkende, boze en bittere ruzies die de geliefden uitvochten in de jaren van hun turbulente relatie.
Daar komt nog bij dat Brera’s boek een mengeling is van feit en fictie over de loopbaan van Coppi, afgewisseld met een verslag van de ontmoeting van de auteur met Coppi aan het eind van diens leven. Magni heeft zijn aandeel in het verhaal nooit ontkend, maar dit is toch onmiskenbaar één van die wielermythes met een mysterieus element, een verhaal dat in de loop der jaren de nodige verfraaiingen heeft ondergaan.
Kritische lezers zouden zich kunnen afvragen hoe iemand midden in een razende koers op die hobbelige onverharde weggetjes de gelaatsuitdrukking van een vrouw in een passerende auto kan beoordelen. Het kan zomaar zijn dat Magni iets als zijn eigen mythe heeft willen optuigen, iets dat het publiek aanspreekt.
Hoe ouder een coureur wordt, hoe hoger de bergen, hoe snijdender de kou, hoe langer de ontsnapping. Zo steekt de sport in elkaar. We kunnen het niet geloven, maar we zijn er wel dol op.
De directe, ononderbroken, begin-tot-eind verslaggeving die de moderne kijker geniet – en daarbij de overvloed aan onbenulligheden via sociale media - betekent dat intrigerende mysteries als dat van La Dama Bianca en haar obscene gebaar op de Ghisallo tegenwoordig nauwelijks nog de kop op steken. Jammer? We zullen ermee moeten leven.
Kroonieken is een podcast van Eurosport – geschreven door Felix Lowe, vertaald door mijn vader Toon en verteld door mij, Karsten Kroon. Eindredactie is van Sander Grasman en de productie door Fabian Kollau. Meer stukjes wielerhistorie door Felix zijn te vinden op Twitter via @SaddleBlaze. Als je mij wilt volgen kan dat via @karstenkroon op Twitter. Eurosport volg je via @Eurosport_NL. Bovendien vind je ons op Instagram en Facebook.
Wielrennen
Wielrennen | Milan Vader sluit horrorjaar af - "Laatste herinnering is een paar dagen voor de val"
26/11/2022 OM 11:31
Wielrennen
Wielrennen | Van Aert wil Van der Poel achterna en ziet deelname aan WK gravel zitten
24/11/2022 OM 14:13